Stichting Oktober 44
  • Oktober 44

    Een aanslag van een verzetgroep bleek voor de bezetter aanleiding tot een vreselijke
    vergeldingsactie...

    Ongeveer 110 huizen werden in brand gestoken...

  • Oktober 44

    Putten was in oktober 1944 het toneel van de ergste wraakactie die Duitsers in de Tweede Wereldoorlog in Nederland hebben begaan.

    Vrouwen gingen de hongerwinter in zonder man.

  • Oktober 44

    Een echte, georganiseerde illegaliteit was er niet in Putten in de eerste jaren van de oorlog.

    Pas in 1944 kwamen enkele groepen tot stand.

Het verstoorde nest,

Ons huis heette ’t Zwaluwnest, maar moeder zei: “Maak er maar het verstoorde nest van”, omdat de vijand er verschrikkelijk heeft huisgehouden.
Ons gezin bestond uit 13 personen: vader, moeder en elf kinderen. Mijn wens is dat deze regels ook door de jeugd gelezen zullen worden en dat ze niet zullen vergeten.
Ikzelf ben nu een oud man, maar ik wil u graag meenemen naar mijn jeugdjaren, want vanuit dat perspectief wil ik deze regels schrijven.
De razzia heeft een geweldige impact gehad, zowel op moeder als op ons als kinderen. Ikzelf was negen jaar oud toen de razzia plaatsvond.
Het was zondagmiddag rond een uur of een toen er een Duitser en een politieagent aan de deur kwamen. Ze vroegen waar vader was. Moeder vertelde hun dat hij even lag te rusten. “Nou,” zei de agent, “ga hem maar even halen, want hij moet mee naar het dorp voor controle van zijn persoonsbewijs. Daarna komt hij weer naar huis.” Moeder vroeg nog: “Wil je me daar de hand op geven?” maar dat deed hij niet. Van een razzia waren wij toen nog totaal onkundig, al had die hemelsbreed gezien nog geen kilometer verderop plaatsgevonden. We hadden die dag ook nog niemand gezien of gesproken en er was ook niemand naar de kerk geweest. Er waren bij ons wel wat fietsen, maar als je een Duitser tegenkwam dan was het inleveren en kon je lopend verder.

Toen vader naar de Broekermolenweg liep waren daar al meer mannen en ook veel Duitsers. Wij hadden in die dagen een onderduiker in huis. Hij overzag het gevaar en vluchtte weg. Mijn broer van 17 ging hem achterna en zo renden ze de boomgaard in die voor ons huis was. En terwijl ik daar naar stond te kijken kwam er een soldaat aanrennen, die gelijk begon te schieten. Ik pakte hem bij zijn arm en zei: “Niet doen! Deze mannen hebben niets gedaan!” maar dat mocht niet baten want hij bleef maar doorschieten om ze tot stoppen te dwingen. Ze moesten steeds dekking zoeken achter de fruitbomen. Uiteindelijk zei de onderduiker tegen mijn broer: “Ga jij maar terug, want ze moeten mij hebben, niet jou.” Mijn broer ging dadelijk terug met zijn handen omhoog. Onmiddellijk hield het schieten op. Voor de onderduiker een mooie kans om verder te vluchten. Maar mijn broer liep regelrecht in de armen van de Duitsers en moest ook mee richting het dorp. De volgende dag zijn er een paar zusters van mij naar het dorp geweest om vader en broer Nico eten te brengen, maar het was op het kerkplein zo druk dat ze mijn vader en broer niet konden vinden en weer met het eten naar huis gingen. Moeder had intussen al wel zoveel informatie ingewonnen dat ze begreep dat het er voor de mannen niet best uitzag. Ze had inmiddels ook al gehoord dat ze op weg waren naar het station richting kamp Amersfoort.

Moeder liep alsmaar buiten heen en weer. Ik vroeg haar: “Moeder, waarom ga je niet naar binnen?”
“Ach kind,” zei ze, “Ik wacht op de trein waar je vader en je broer inzitten. En kijk maar goed, want je zult ze nooit weerzien.” Toen begon ze te huilen. Die woorden ‘je zult ze nooit weerzien’ hebben een geweldige indruk op me gemaakt. Ik ben ze nooit meer vergeten.
Diezelfde avond moesten we met het hele gezin vluchten. Er gingen geruchten dat alle huizen ten westen van de spoorlijn afgebrand zouden worden. We laadden dekens en matrassen op een handkar en een paar kruiwagens en gingen naar een oom en tante aan de overzijde van de spoorlijn. We hebben daar de nacht doorgebracht. De volgende morgen stuurde moeder een paar van de oudste kinderen naar huis om te kijken hoe het daar was. Ze kwamen heel blij weer terug omdat ons huis er nog stond. Nog dezelfde dag zijn we weer naar huis gegaan. Maar blijkbaar hadden de moffen hun werk nog niet af, want in het holst van de nacht werd er hevig op de deur gebonkt. We moesten allemaal ons bed uit, want ze waren teruggekomen om alsnog de boerderij in brand te steken. Zo stonden we daar met ons allen in nachtkleding te bibberen achter het huis. Naast ons drie soldaten. Twee van hen hadden brandbommen in de aanslag om die op de rieten kap te gooien. Mijn zusje van elf jaar, met haar kleinste zusje van drie jaar slapend op haar arm, ging huilend naar de ene soldaat toe en zei: “Steek ons huisje niet in brand, want waar moeten we dan slapen?” Zichtbaar ontroerd draaide hij zich om en overlegde met zijn maten. Het brandtuig werd opgeborgen, ze stapten in hun jeep en reden weg. Ze zullen wel gemerkt hebben dat vader er niet was. En zo konden wij als kinderen dankbaar en blij weer gaan slapen, ondanks alle ellende en narigheid van die zondag en maandag.

Het viel voor moeder zo kort na de razzia niet mee. De kostwinner was weg en voorzieningen waren er toen nog niet. Daardoor kwam heel veel werk op mijn oudste broer af, die nog maar zestien jaar was. Hij leerde nog, werkte daarbij en deed daarnaast nog het nodige werk op de boerderij, dat viel op die leeftijd niet mee. Moeder is kort na de wegvoering van de mannen ziek geworden. Ze heeft een jaar lang helemaal op bed gelegen, vanwege een vergroot hart; volgens de huisarts kwam dit door alle spanningen en kon dit alleen genezen door rust en medicijnen.
Ook voor ons als kinderen was het niet altijd makkelijk. Vader weg en moeder helemaal op bed. Wij kinderen (twee zussen boven mij van dertien en elf, ikzelf van negen jaar, nog een jongere broer van 7 jaar en nog een zusje van drie jaar) werden opgevoed door onze twee oudere zussen van 22 en 20 jaar en dat vonden wij niet altijd leuk. Maar er werd ons altijd gezegd dat we niet naar moeder toe konden, want die moest rusten.
Ik wil nog even terugkomen op de gebeurtenis van de vluchtende onderduiker, die goed zijn best moest doen om uit handen van de vijand te blijven. Ik noem hem mijn zwager, want hij is na de oorlog met een van mijn zusters getrouwd. Zoals ik al vertelde was hij op de vlucht. Tijdens die vlucht is hij bij een houtwal in een greppel gaan liggen. Hij groef zich in met blad en hoorde de soldaten op tien meter afstand langskomen, maar ze hebben hem niet gevonden. Hij heeft de hele zondagmiddag in die sloot gelegen en bij het vallen van de avond ging hij naar zijn onderduikadres, dat was bij Ab van den Hazel aan de Donkeresteeg. Op een avond was hij weer bij ons. Dit deed hij wel vaker omdat hij verkering had met een van mijn zussen. Aan het eind van de avond ging hij naar huis, langs binnendoorwegen omdat na achten niemand zich meer op de weg mocht bevinden vanwege de spertijd. Terwijl hij daar door weilanden en langs koeienpaden struinde, richting de Donkeresteeg, kwam hij een eindje voorbij Groot Hoonhorst twee mannen tegen die hem staande houden en hem meteen vragen waar hij vandaan komt en waar hij naartoe gaat. Daar schrok hij zo geweldig van dat hij niets anders wist te doen dan dat maar eerlijk te vertellen. Hij zei dat hij bij zijn meisje was geweest en nu op weg was naar zijn kostadres. Toen haalde een van die mannen een agenda voor de dag en schreef al het gevraagde op terwijl zijn maat hem bijlichtte met een soort lichtbak. Toen ze de gegevens genoteerd hadden kreeg hij het bevel hen te volgen richting spoorlijn. Er liep in die tijd een paadje langs de hooibergen van Hoonhorst naar het spoor. Aan het einde van het pad was er toen ook nog een spoorwegovergang. Een eindje langs de spoorlijn, achter wat struiken, gingen ze zitten en mijn zwager moest hetzelfde doen. Na een poosje wachten kwamen daar twee mannen aan op de fiets. Ze stapten af en liepen een paar meter langs de spoorlijn om springstof onder de rails aan te brengen met de bedoeling om die op te blazen. Het waren dus mannen van het verzet. Terwijl ze daar mee bezig waren, pakte een van de twee mannen die bij mijn zwager zaten zijn revolver en schoot de beide mannen dood. Mijn zwager wilde ze daar nog vanaf houden door te zeggen dat ze ook bij ons horen en verzetswerk doen, maar hij kreeg het bevel zijn mond te houden, anders kon ook hij de kogel krijgen. Meteen na het doodschieten van de twee mannen kwamen ze weer in de benen en liepen richting het station. Mijn zwager moest er weer achteraan. Na een poosje zeiden ze tegen mijn zwager dat hij zijn weg weer kon vervolgen, maar, werd er bij gezegd: “Pas op, mondje dicht over wat je gezien hebt, we hebben je gegevens op zak. Als je gaat praten loopt het slecht met je af.” In de oorlog heeft mijn zwager er ook met niemand over gesproken, zelfs met zijn meisje niet.


Lezer, dit is dan ook alles wat ik van het hele verhaal afweet. Mijn broer heeft me dit een paar weken voor zijn overlijden verteld. Dat was in 2010. Hij heeft me nog wel de namen van de verzetsmensen genoemd, maar die zijn me ontgaan. Meer wist ook mijn broer niet van het hele verhaal te vertellen, zodat er nog veel duister is. Mochten er onder de lezers zijn die meer van deze zaak afweten, dan hoor ik dat heel graag. Zelfs Evert de Graaf kon mij niet verder helpen.


We gaan weer terug naar moeder. Er kwam in de oorlog heel vaak een spion over de vloer, die ook erg behulpzaam was als er iets gedaan moest worden. Hij kwam ook altijd na een bombardement, op zoek naar bommen die niet ontploft waren. Hij haalde de ontsteking eruit, zodat ze onschadelijk werden. Omdat we vlakbij de spoorlijn woonden werden er bij ons veel bommen afgeworpen. In het traject bij ons huis zaten veel bochten in het spoor, en die wilden ze juist hebben omdat die moeilijk te vervangen waren. De Duitsers hadden een afweergeschut geplaatst in de Withagersteeg. Toen de Engelse en Amerikaanse bommenwerpers dat in de gaten kregen gooiden ze hun vrachtje op grotere hoogte naar beneden, maar ze misten daardoor ook meer hun doel.
Als het luchtalarm afging, moesten wij altijd de schuilkelder in, die mijn vader nog had gegraven aan de zuidzijde van het huis. Moeder was altijd bang tijdens zo’n luchtgevecht, maar toch had ze liever dat de bommen hier vielen dan dat ze overvlogen naar Duitsland. Want ook die route lag boven ons huis. Moeders angst werd werkelijkheid, want waarschijnlijk zijn vader en broer bij een bombardement om het leven gekomen. Ze zijn nl. een uur na elkaar overleden, aldus het bericht vanuit Duitsland. Op Hemelvaartsdag liep ’s avonds mijn broer met nog een paar vrienden in het dorp. Hij zag heel veel mensen de kerk in gaan en dacht: ‘laat ik daar ook maar eens gaan kijken’. Er was op dat moment geen kerkdienst, dus zijn nieuwsgierigheid was gewekt. Toen hij binnenkwam hoorde hij Ds. Holland een lange lijst van namen voorlezen van omgekomen Puttenaren. Hij bleef totdat hij ook de namen van vader en Nico op hoorde lezen. Meteen stapte hij op de fiets en ging naar huis. Maar thuisgekomen had hij niet de moed om die jobstijding over te brengen. Maar er zijn altijd wel andere mensen die dat graag doen. De volgende morgen stond er in alle vroegte een vrijgezelle roddeltante aan de deur met de mededeling: “He je het al eheurd? De dominee het gisteravond in de kark een barg namen vurelezen die allemaal dood bin en door was ok joe man en jong bie, dus die bin ok dood.” Bij het aanhoren van dat vreselijke nieuws kreeg moeder een flauwte en moest ze door haar kinderen naar binnen gedragen worden. Ja, zulke onverstandige mensen zijn er ook.

Gelukkig was het voor ons als kinderen niet allemaal kommer en kwel. Een paar voorvallen wil ik de lezer niet onthouden. Wij hadden in de boomgaard een paar geiten lopen die waren spaans benauwd voor het bommen werpen. Als wij nog geen geluid hoorden, stonden die dieren al te luisteren. Als wij de vliegtuigen ook hoorden, dan zetten die geiten het op een lopen en dan ging het kris-kras door de boomgaard heen. Daar maakten wij gebruik van door op hun rug te springen en mee te rijden. Maar dat kon meestal maar eventjes, dan riep moeder al dat we dekking moesten zoeken in de schuilkelder. Een ander voorval was in de herfst van het jaar dat we bevrijd waren. Mensen die in de oorlog fout geweest waren, werden op de bedrijven waar de kostwinner was weggevoerd, tewerkgesteld. Ook bij ons kwamen mensen om aardappelen te rooien. Tien man met een bewaker, voor het geval er een de benen wilde nemen. De bewaker stond daar met het geweer op de rug te posten. Ik zei tegen mijn broer van zeven jaar: “Kom, we gaan de windbuksen halen en bij die bewaker staan.” In de schuur hielpen we elkaar de windbuksen op de rug te knopen met behulp van strotouwen. Toen we bij de bewaker gingen staan moest hij er hartelijk om lachen, maar de NSB’ers keken minder blij. Na een poosje was ook daar de lol af en gingen we maar weer naar huis. Eén van de mannen riep ons na: “Toe jongens, ga eens wat appels en peren voor ons halen!” Wij renden weg maar de bewaker riep ons terug en vroeg wat we gingen doen. We zeiden dat we wat appels gingen halen, maar dat wilde de bewaker beslist niet hebben, want zei hij: “Dat fruit is voor jullie en deze mensen krijgen genoeg te eten.”
Ik wil nog wat vertellen over de Hongerwinter van ’44-’45. Zoals gezegd hadden wij een boerderij. In de winter werd er een varken geslacht. De hammen werden gezouten en gerookt, ook werd er worst gemaakt. Bovendien karnden we zelf onze boter en met zeshonderd kippen waren er ook voldoende eieren. En dat wisten de mensen uit de stad ook wel, want ze kwamen massaal het platteland op om voedsel. Soms wel tien mensen per dag. En moeder kon ze niet ledig wegsturen. Soms kregen ze wel mondjesmaat omdat er dagelijks zoveel mensen aan de deur kwamen en we zelf natuurlijk ook een groot gezin hadden.

Op een dag kwam er een heel dikke vrouw aanrennen die nietsvermoedend was wat betreft het veelvuldig bombarderen van de spoorlijn. Ze zat opeens midden in het gevecht. Ze was vreselijk geschrokken en holde bij ons de schuilkelder in, terwijl ze zei: “Ik ben van de hemel in de hel gekomen, hoe kom ik hier ooit weer uit?” Ze viel op haar gezicht midden in de schuilkelder en bleef daar roerloos liggen. Wij dachten dat ze dood was. Na het gevecht, toen het weer rustig was, gingen wij de schuilkelder weer uit. Na een half uurtje besloot ik toch maar eens te gaan kijken naar die vrouw, maar ook zij had haar weg weer vervolgd. Maar voor buitenstaanders viel het niet mee, omdat het tijdens zo’n bombardement een heidens kabaal was van de inslagen van al die bommen en van de vliegtuigen in de lucht. Daarbij kwam ook nog het gebulder van het afweergeschut. Geen wonder dat de geiten op hol sloegen.
In de oorlog ging er ook een koe dood. Ophaaldiensten waren er in die tijd nog niet, dus het kadaver werd op het erf begraven. Op een dag kwamen er mensen aan de deur. Ze vroegen of ze dat beest op mochten graven, om er vlees van af te snijden. Moeder wilde dat beslist niet hebben, maar ze hielden sterk aan en beloofden alles weer netjes op te ruimen. En zo gingen ze met schoppen aan het werk. Mijn jongeren broer en ik stonden erbij te kijken. Als er een kip dood was werd die op het platte dak van het kippenhok gelegd. Als er trekkers langs kwamen, was ook die kip weg, want alles werd gegeten. De honger was zwaar in Nederland.
Ik wil nog wat vertellen van die spionnen. Op een dag kwam hij weer bij moeder. Hij vertelde dat ze van plan waren om de kampen in Duitsland te bezoeken. Moeder moest maar een brief schrijven naar haar man en zoon, dan zouden ze proberen om vaders van grote gezinnen vrij te krijgen. Dat gaf moeder weer hoop. Hij sprak de datum af waarop hij de brieven op zou komen halen. De volgende dag, dat was zo rond half november, zouden ze vertrekken richting Duitsland. En juist die avond werd er een inval gedaan bij Van den Hazel. De man die altijd bij ons kwam kon nog net op tijd zijn papieren verstoppen, zijn maat zag daar geen kans meer voor. Ze zijn beiden meegenomen. Na streng verhoor is degene die altijd bij ons kwam, een Belg,  weer vrijgelaten, zijn maat, een Fransman, is doodgeschoten. Hij is nog een keer bij ons terug gekomen om de brieven weer aan moeder te geven. Hij vertelde dat hij uit deze buurt weg moest, voor zijn eigen veiligheid. Weer een tegenslag voor moeder.

Ik ga mijn verhaal afronden. Ik hoop dat ik een beeld heb kunnen schetsen van hoe wij als kinderen de oorlog beleefd hebben.
Moeder is altijd weduwe gebleven. Ze is overleden op 9 augustus 1969, op de leeftijd van 72 jaar. Toen werd haar rouwkleed verwisseld voor het bruiloftskleed. Dat laatste kleed is door genade verkregen. Ze mocht instemmen met psalm 126: ‘Die hier bedrukt met tranen zaait, zal juichen als hij vruchten maait.’
Vader is overleden op 15 februari 1945, te Hamburg, op de leeftijd van 48 jaar. Broer Nico overleed op 14 februari 1945, in de leeftijd van 18 jaar, ook te Hamburg. Ze zijn volgens de gegevens een uur na elkaar overleden.
De brief die moeder schreef, maar die nooit is aangekomen, wil ik hier graag in zijn geheel afdrukken. Opdat vooral de jeugd die brief zal lezen en niet vergeet wat zich in de oorlog heeft afgespeeld.


Putten, 21 november 1944

Mijn lieve Nico,

Hoe gaat het toch jongen, zo ver van huis, en heb je geen erge verlang, nog nooit van huis afgeweest, en nu zo ver ineens. Ik heb erge verlang naar je, jongen.
Heb je er aan gedacht 14 november, toen je jarig was. Kleine Toosje vraagt gedurig: komt papa en Nico nog niet thuis?
Ik hoop dat je deze brief mag ontvangen. Ik heb vader ook geschreven en hoop van harte dat hij thuis mag komen, en van jou natuurlijk ook. Maar gezien jouw leeftijd zal dat wel niet gaan. Maar wees maar vooral, Nico, een lieve jongen, tegen iedereen, en doe maar flink je best tegen iedereen, kind, in alles wat je doen moet. En ook gehoorzaam wezen, en vergeet de lessen niet die vader en moeder je geleerd hebben. En vergeet ook de Heere niet, Nico, en vergeet nooit te bidden. Want wie God verlaat heeft smart op smart te vrezen. En schaam je maar nooit, Nico. En we zullen maar hopen dat de Heere ons voor elkander bewaart, en dat we in gezondheid elkaar terug mogen zien, in ons Zwaluwnestje.
Hoe gaat het met je kleren, ze zijn zeker haast versleten? En heb je het niet koud? We maken hier ook nog bange tijden mee, met de vele bombardementen. Maar de Heere heeft ons allen nog gespaard. Nu lieve Nico, ik hoop dat je deze brief mag ontvangen, en dat ik eens wat van je terug hoor. En weest hartelijk omhelsd van je liefhebbende moeder, broertjes en zusjes: Annie, Hennie, Gijsje, Sjaantje, Drees, en Alie, en Ietje, en Adri en Aalt en je lieve kleine Toosje.
Je hebt zeker nog foto’s bij je. Nu mijn lieve jongen, wees Gode bevolen. En doe maar trouw je best, kind, en ik zal je snijwerk dat je gemaakt hebt goed bewaren. Nu, dag Nico, en tot wederziens en dag van Moeder en allemaal.



Dhr Blok
April 2013

Stichting Oktober 44, Midden Engweg 1, 3882 TS Putten