Stichting Oktober 44
  • Oktober 44

    Een aanslag van een verzetgroep bleek voor de bezetter aanleiding tot een vreselijke
    vergeldingsactie...

    Ongeveer 110 huizen werden in brand gestoken...

  • Oktober 44

    Putten was in oktober 1944 het toneel van de ergste wraakactie die Duitsers in de Tweede Wereldoorlog in Nederland hebben begaan.

    Vrouwen gingen de hongerwinter in zonder man.

  • Oktober 44

    Een echte, georganiseerde illegaliteit was er niet in Putten in de eerste jaren van de oorlog.

    Pas in 1944 kwamen enkele groepen tot stand.

Aan de muur hangt de foto van haar man. Daarnaast zijn vestzakhorloge met ketting.
‘Die ketting is lelijk zwart geworden. Ik heb werkelijk van alles geprobeerd om hem weer
blinkend te krijgen, maar het lukt niet. Het zal wel geen echt zilver zijn. Die foto heb ik
laten uitvergroten van een pasfoto. Iets anders had in niet van hem. Ons soort mensen
ging vroeger eigenlijk nooit op de foto’.

Puttense weduwen:
‘Hard werken en het geloof hebben ons erdoor geholpen’
.

            Cisca Dresselhuys

Jannetje Torsius is 79 jaar. Een kleine, opgewekte vrouw, meestal druk in de weer in haar huis. Een eigen huis, waarin zij de laatste jaren alleen woont. Alles ziet er keurig uit want ze houdt van schoon. Jannetje Torsius is weduwe. Al 37 jaar. In oktober 1944 bleef ze met vier jonge kinderen, van vijf tot veertien jaar, achter op de boerderij, toen haar man werd weggevoerd naar Duitsland. Hij is niet meer terugkomen.
Ook Wim van de Poll (72jaar) is zo’n Puttense weduwe. Haar man en twee van haar broers werden weggehaald. Eén broer sprong onderweg uit de trein, de and kwam na de bevrijding terug uit Duitsland, maar haar man overleed er, al heel snel na de deprotatie. Ook mevrouw van de Poll bleef met vier jonge kinderen achter: de jongste was anderhalf, de oudste negen jaar.
Beide vrouwen zijn nooit hertrouwd. Ze hebben, nadat hun mannen waren weggevoerd eigenlijk alleen nog maar voor hun kinderen geleefd. ‘Dat was het enige dat nog zin aan je leven gaf. Je moest zorgen dat de kinderen zo goed mogelijk grootgebracht werden. Je moest vader en moeder tegelijk zijn’.
Mevrouw Van de Poll: ‘Ik heb daarna enkel nog maar voor de kinderen geleefd. ’s Ochtends dacht ik vaak ‘ik wou dat ik nooit meer hoefde op te staan’, maar dan hoorde ik een van de kinderen huilen en dan stond ik maar weer op’.
Mevrouw Torsius: ‘Toen mijn man pas weg was, zag ik er beslist geen gat meer in. Als ik de boerderij uitliep en ik zag al dat land en het vee, dacht ik: ‘wat moet ik daar in vredesnaam van terecht brengen’. Dan kwam ik binnen en zag die vier kinderen en dan dacht ik weer ; hoe moet ik alleen vier kinderen grootbrengen’. Ik zag er geen gat in, alleen maar bergen’.
Toch herinnert Hennie Lodeizen-Van de Poll, de 40-jarige dochter van Wim van de Poll zich niet dat ze haar moeder vaak verdrietig gezien heeft in die jaren. Ze was bijna vier jaar, toen haar vader werd weggevoerd. Ze herinnert zich vrijwel niets meer van hem. ‘In het begin praatte mijn moeder heel veel over m’n vader en de deportatie. Ik denk dat ze dan een bepaalde toon in haar stem had, want mijn zusje hield altijd de hand voor moeders mond. Ze wist gewoon dat dat verhaal weer ging komen en dat wilde ze niet meer horen. Wij vonden het vervelend dat moeder steeds datzelfde verhaal vertelde. Moeder was altijd druk bezig, ze werkte eeuwig. Misschien was ze wel zo druk in de weer om haar verdriet de baas te blijven. Moeder is erg gesloten, ook wel wat koel, denk ik. Ze heeft ons eigenlijk nooit verteld hoe ze de dood van vader verwerkt heeft. Ze heeft wel eens gezegd dat ze er soms tegenop zag ’s ochtends op te staan. Voor zover wij als kinderen konden beoordelen ging moeder echt niet bij de pakken neerzitten. Daarom heb ik ook geen sombere jeugd gehad.’.

Mevrouw Van de Poll: ‘In het begin kon je nergens komen of er werd over de weggevoerde mannen gepraat. Ja, waar zou je ook anders over kunnen praten. Op het laatst zei ik: ‘Laten we er maar over ophouden’. Ik heb in het begin wel eens gedacht ‘was ik zelf maar weg’, maar ja, dan zag je die vier kinderen en dan wist je dat je verder moest. Het is een groot geluk, dat er werk in de wereld is. Ik kan wel zeggen dat alle Puttense weduwen keihard hebben gewerkt in die jaren. Ze moesten wel. Maar het was ook hun manier om verder te kunnen leven. Werken verzet de gedachten tenminste. Ik heb heel veel verdriet weggestopt, binnen in mij. Ik loop er niet mee te koop.  Maar van de oorlog ben ik steeds erg gespannen geweest, vaak erge pijn in mijn rug en mijn nek. Ik mis m’n man nog heel erg, je bent altijd alleen. En nu je ouder wordt, komt die eenzaamheid nog meer op je af. Wanneer je overdag druk bent met je huishouden en je bezoekjes, gaat het allemaal wel, maar ’s avonds alleen, dan komt alles weer voor je geest. Dan ga ik maar televisie kijken, handwerken of even naar de buren’.
Ook Jannetje Torsius heeft nooit met haar verdriet te koop gelopen. ‘Je moest door, hè, hoe moeilijk dat ook was. Ik heb me al die jaren kapot gewerkt. Bijna bovenmenselijk. Ik stond altijd om vijf uur op – op wasdag om vier uur – zodat ik voor het ontbijt om half acht het vee al gevoerd had. ’s Avonds werkte ik door tot een uur of tien. Dan ging ik direct naar bed, want ik dat: als ik et niet volhoud, draait de hele boel in de soep. Ik ben gelukkig altijd goed gezond geweest. Behalve bij m’n bevallingen heb ik nog nooit een dag ziek in bed gelegen. Overdag hield ik me groot. Soms huilde ik wel eens een dag, maar meestal potte ik het allemaal op voor ’s nachts. Die zenuwen ’s nachts, verschrikkelijk was dat, dan moest de spanning er echt uit. Mijn zoontje zei voor het naar bed gaan wel eens angstig tegen  me: ‘Moe, zul je vannacht niet huilen?”. Maar ik moest me ’s nachts wel laten gaan, anders stikte ik erin. Ach, het is allemaal wel wat gesleten, maar ik ben nog altijd een tobberd met slapen. Ik moet op pillen slapen, anders ga ik liggen denken en komt alles weer op me af.’

 

Louise Calame is maatschappelijke werkster bij de Stichting ’40-’45. Sedert 1977 heeft ze ongeveer 150 Puttense weduwes in haar rayon. De vrouwen zijn nu bijna allemaal tussen de 60 en 85 jaar. Sommigen zijn hertrouwd en later opnieuw weduwe geworden.
‘Ik kom er eigenlijk niet goed achter hoe deze vrouwen het verlies van hu man, zoon of broer hebben verwerkt. Voor mij lijkt het erop , dat ze het leed op de een of andere manier in hun leven hebben opgenomen. Ik merk maar weinig van verdriet of opstandigheid. Soms komt er wel eens iets naar buiten, wanneer je onverwacht bij iemand binnenstapt. Zo ben ik eens bij een vrouw gekomen, die stilletjes voor zich uit zat te huilen. Ze heeft geen radio of televisie, daar kan ze niet tegen. Ze zit maar wat in haar stille huiskamer te huilen. Op zo’n moment praten we dan wel met mij over hun verdriet. Maar ja, ik heb zo’n 400 cliënten, dus ik ben eigenlijk te druk om zomaar eens te komen aanlopen. Ik kom meestal op afspraak om iets bepaalds te bespreken. Ik mis dus wat dat soort uitingen van verdriet, want wanneer ze weten dat je komt, zitten ze meestal opgewekt klaar met de koffie. Ik heb wel een nagedacht over het verschil tussen de Puttense weduwen en de andere verzetsweduwen. Voor mijn gevoel hebben de Puttense weduwen hun ellende meer verweven in het dagelijkse leven. In de trant van: zo is het nu eenmaal, ik begrijp niet waarom het gebeurd is, maar het heeft zo moeten zijn en nu moet ik verder. Ik zie heel weinig agressie, ook niet tegen de Duitsers en maar zelden haatgevoelens. Ze zijn vaak minder scherp dan andere verzetsweduwen. Ook valt het me op dat ze nooit klagen over de angst, die ze zelf gehad moeten hebben op die zondag in oktober. Veel van de vrouwen zijn met het geweer in de rug opgejaagd. Ook hebben ze erg in angst gezeten of hun huizen zouden worden platgebrand. Maar over hun eigen angsten hoor je ze nooit. Ik denk dat ze daar niet over praten, omdat hun mannen het zoveel erger gehad hebben’.

 


Hoewel het nu 37 jaar geleden is, weten de vrouwen nog precies wat er op die zondag in 1944 is gebeurd. Mevrouw Van de Poll: ‘We hoorden ’s ochtends roepen dat er een razzia was. Mijn m an liep met mijn broer het huis  uit. Ze waren van plan te vluchten. maar ze liepen recht in de armen van een paar Duitse soldaten, die achterom kwamen. We zaten die dag met een heel gezelschap thuis. We wisten niet wat ons overkwam. Het was een rustige zondagmorgen. Het was, ook in de oorlog, eigenlijk altijd rustig in Putten, je merkte er niet veel van de oorlog. Toen mijn man weggevoerd was, moest ik zelf ook met de kinderen weg, naar de kerk. Daar werden we allemaal verzameld. Mijn vader, moeder en m’n zuster waren daar ook. Omdat m’n zus, die altijd al een brutale was, tegen de Duitsers zei dat moeder ‘krank’ was, mocht ze naar huis. Ik mocht met moeder mee en ook de kinderen mochten de kerk uit. Later zijn m’n vader en zuster ook weer teruggekomen. Later moesten we eten brengen voor al die mannen en jongens. Ze waren in de kerk opgesloten. M’n zuster en ik zijn met grote pannen eten naar de kerk gegaan. De mannen stonden toen buiten opgesteld. We wilden nog graag even met hen praten maar we werden met de geweren in de aanslag weggejaagd. Het eten moesten we afgeven. later zijn we toch weer terug gegaan naar de kerk. We zijn naar binnen gegaan en hebben vanaf de galerij gezien hoe de mannen werden weggevoerd naar het station. Ik herinner me nog het gedreun van al die klompen. Het was verder doodstil ik het dorp. Ik ben gauw naar huis gegaan, heb m’n fiets gehaald en ben naar het station gereden. Daar waren meer vrouwen heen gekomen. De mannen werden allemaal in beestenwagens geladen. Ik heb m’n man nog even door een kier van zo’n schuifdeur gezien. Hij was lang, je zag hem overal bovenuit. Hij zei nog ‘de groeten aan de kinderen’. Toen werden we weggestuurd. Dat was het laatste wat ik van mijn man heb gezien en gehoord.

Mevrouw Torsius: ‘Ik zag de Duitsers die zondagmorgen al aankomen. Wij hadden de vorige dag de schoten gehoord van de overval op de Duitse officier. We woonden in de buurt van de plaats van de aanslag. Ik had dus wel een idee, dat de Duitsers voor die zaak kwamen. Ach, we hadden zulke mooie plekken op de boerderij, waar m’n man zich had kunnen verstoppen. maar dat wilde hij niet. ‘Ik heb niets gedaan, ik ben niet bang voor de Duitsers’, zei hij en liep hen tegemoet. Ze namen hem onmiddellijk mee. Ik ben die dag met de kinderen thuis gebleven. je wist niet wat je moest doen, je begreep helemaal niet wat er gebeurde. Je was erg bang, want ze zeiden dat alle huizen platgebrand zouden worden. Die nacht heb ik nog eten naar de kerk laten brengen. Ik had een grote pan rijst en een hoop eieren gekookt – zelf ben ik er niet meer heen geweest, ik durfde de kinderen niet alleen te laten. De volgende dag heb ik de trein met de mannen nog zien langskomen, wij woonden aan het spoor. Ik was net bezig de boel te verhuizen met paard en wagen, omdat we nog steeds dachten dat de Duitsers alle huizen zouden platbranden. Ik keek even naar de trein, maar ben direct daarna doorgegaan allerlei spullen op de wagen te laden. Eén nacht ben ik met de kinderen bij m’n zuster geweest, maar de volgende dag wilde ik persé terug. Ik kon de dieren op de boerderij toch niet alleen laten, die hadden eten nodig’.

En zo ging het leven zijn gewone gang weer na die afschuwelijke zondag. De vrouwen bleven verbijsterd achter met hun kinderen, maar ze moesten verder, de kinderen  moesten verzorgd worden, er moest eten komen.

Mevrouw Van de Poll: ‘Ja, hoe was die tijd vlak daarna? Wat moet ik daarvan zeggen? Treurig natuurlijk, heel treurig. Geld had je niet veel, we kregen van de gemeente een uitkering  maar die was bitter laag, iets van 29 gulden in de week voor vijf personen. In de winter van ’44-’45 hebben we rare dingen gedaan om op de been te blijven. Zo heb ik met familieleden bomen omgezaagd hier achter in het bos. Die kapten we in stukken en sleepten we in de kinderwagen naar huis. Dat was natuurlijk stelen, maar daar heb ik nooit iets om gegeven. Die bomen groeien wel weer aan, dacht ik maar. We hebben de politie er nog een keer voor over de vloer gehad. We waren verraden. Ik zeg tegen die politieman ‘ja, het klopt dat we bomen uit het bos hebben gehaald’. Hij ging weg zonder verder iets te doen. Kun je je nou indenken, dat je verraden wordt, wanneer je alleen zit met vier kinderen en je haalt wat hout uit het bos? Dat is toch treurig. Ik moet zeggen dat de gemeente, en de kerk trouwens ook, niet veel van zich hebben laten horen na de oorlog. De zaak werd pas beter, toen we die pensioenen van de stichting ’40-’45 kregen. Voor de kinderen had je dan wel de Stichting Puttens Jeugd, die betaalde voor studie en dat soort dingen’.
Dochter Hennie: ‘Ik geloof niet, dat wij erg veel van Puttens Jeugd hebben gehad. later merkte ik, dat er kinderen waren die elk schrift en potlood betaald hadden gekregen. Wij niet. We hebben wel op kosten van de stichting een paar cursussen gevolgd: steno, typen en boekhouden. Ze betaalden ook universitaire studies voor de kinderen, maar wij waren thuis niet van die hoogvliegers. We zijn allemaal naar de MULO geweest. Dat heeft m’n moeder allemaal zelf betaald. We hadden het thuis krap, maar er was geen echte armoede. We hadden best te eten en zager er netjes uit, maar zakgeld hebben we bijvoorbeeld nooit gehad. Iets extra’s kon eigenlijk nooit. We kregen wel een cadeautje met Sinterklaas en onze verjaardag, maar dat was het dan ook wel. Heel soms en ijsje in de zomer. maar in die tijd had niemand van onze vriendinnen het beter, we zaten allemaal in hetzelfde schuitje. De meeste kinderen op school hadden in die eerste tijd na de oorlog geen vader. Pas toen er later meer import in Putten kwam, zaten er kinderen in onze klas, die wel een vader hadden. Al mijn vriendinnen hadden geen vader, je dacht eigenlijk dat dat gewoon was. We wisten niet wat we misten. Dat merkten we pas later. Ik heb in die tijd vaak gehuild, maar dat had niks te maken met m’n vader, maar met m’n oren. Ik had altijd pijn in m’n oren en  moest voortdurend naar doctoren in ziekenhuizen. Dat was eigenlijk het enige echt akelige in mijn jeugd. Ik moet zeggen dat moeder altijd haar best heeft gedaan ons zo prettig en zorgeloos mogelijk te laten leven. We mochten dingen die anderen hier niet mochten, bijvoorbeeld naar dansles. De kinderen mochten alles leren, voor zover het in haar vermogen lag het te betalen.

Mevrouw Torsius: ‘Toen mijn man pas weg was, werkte ik eigenlijk als verdoofd verder. maar boeren zonder boer dat gaat niet. Ik heb het nog een keer geprobeerd met een knecht, maar die voerde niets uit, daar had ik meer last dan gemak van. Gelukkig hadden we een enorm goede dienstbode; als ik die niet had gehad, had ik het vast niet gered. We hadden in die tijd 800 kippen, zeven koeien en twintig varkens. De kippen en de varkens heb ik gehouden, maar ik heb vijf koeien weggedaan. Dat kon ik niet allemaal aan. We hadden ook nog bouwgrond met aardappelen, bieten en rogge. Dat heb ik ook aangehouden. Ik heb al die jaren keihard gewerkt. maar werken is nooit een vloek voor mij geweest, je voelt je beter wanneer je werkt, dan wanneer je gaat zitten. Ik heb het nu natuurlijk veel rustiger, maar ik sta nog altijd om zeven uur op. Elke dag geef ik éénkamer een goede beurt en houd ik de rest van het huis zo’n beetje bij. Tot ik zeventig was ging ik nog helpen bij de kinderen, maar daar ben ik mee opgehouden. Ik brei nog veel, sokken en zo. Afnemers genoeg.. We hebben het nooit arm gehad; door het bedrijf stond ik er toch altijd wat beter voor dan veel andere weduwen. Van de gemeente kreeg ik 80 hulden in de maand. Wanneer we die extra inkomsten van de boerderij niet hadden gehad, was het natuurlijk wel pure armoe geweest. Mijn kinderen hebben niks van Puttens Jeugd gehad, alleen de jongste dochter orgel les. Je moest dat geld aanvragen, geloof ik, maar ik werkte, werkte en werkte en kwam nergens anders aan toe. Ik wist van dat soort dingen niks af. Ik heb zelf alles betaald voor de kinderen en ze zijn gelukkig allemaal prima terecht gekomen’.


Omdat ze pas heel laat officieel bericht van het overlijden van hun mannen hebben gekregen (van sommigen is nooit met zekerheid vastgesteld waar en wanneer ze precies gestorven zijn) hebben veel Puttense vrouwen jarenlang gehoopt dat hun man toch nog zou terugkomen.
Henny Lodeizen: ‘Een beetje hoop dat hij nog zou terugkomen heeft moeder wel gehad, maar volgens mij niet erg lang. Toen hij een half jaar na de bevrijding nog niet terug was, rekende moeder er niet meer op, dacht ik’.
Mevrouw Van de Poll: ‘Ik heb jarenlang gehoopt dat hij nog terug zou komen. Ik geloofde het misschien niet echt met mijn verstand, maar diep in m’n hart bleef ik hopen. Op een keer in de winter van ’44-’45 kreeg ik opeens een gevoel: hij is er niet meer. maar dat gevoel duwde ik weg en kwam de hoop toch weer boven. Mijn man moet al heel snel na de deportatie overleden zijn. De officiële datum is gesteld op 11 december 1944. Hij is nooit in Ladelund aangekomen, waar de meeste anderen overleden zijn. Hij is waarschijnlijk in Hamburg overleden, toen ze nog op transport waren.
Daarom voel ik er ook niet voor om met die jaarlijkse reisjes naar Ladelund mee te gaan. Wat moet ik er doen? Hij ligt er toch niet. Van mijn broer, die na de oorlog is teruggekomen, hoorde ik dat ze op de treinreis naar Duitsland onderweg nog een keer gestopt zijn. Ze mochten toen de trein uit om op het land wat knolletjes uit de grond te trekken en op te eten. Ik vroeg hem “hadden jullie toen niet kunnen vluchten” maar hij zei dat ze erg streng gewaakt werden. Mijn andere broer is veel eerder al uit de trein gesprongen, nog in Nederland. Maar dat heeft mijn man niet gedurfd, denk ik.
Henne Lodeizen: ‘Vader heeft de deportatie maar kort overleefd. We hebben later gehoord dat hij in de trein al erg depressief was. Hij kon deze grote tegenslag niet aan. Je moet denken dat ze het hier in die tijd best goed hadden. Er was een wereldoorlog aan de gang, maar daar merkten ze in Putten niet  zoveel van: er was wat schaarste, meer niet. En vader zat niet in het verzet, waardoor hij voorbereid had kunnen zijn op arrestatie of straf.”
Mevrouw Torsius: ‘Ik heb nog heel lang gedacht dat mijn man terug zou komen. Hij was zo gewiekst, ik dat: die vindt wel een gaatje. Zelfs nat het officiële doodsbericht, dat ik dat nog. De dienstbode zette bij het melken de koe altijd zó, dat ze op straat kon kijken, want je wilde hem zien aankomen, wanneer hi vrij was, zei ze. Zelf dacht ik ’s nachts vaak z’n hoesje of z’n stap te horen. Na de bevrijding kreeg ik het officiële doodsbericht. Er stond in dat zijn plaats van overlijden en begraafplaats onbekend waren. Ik het altijd het idee gehad, dat hij bij die mannen is geweest, die ze op een schip hebben geladen dat ze daarna tot zinken hebben gebracht. Ze hebben januari 1945 als overlijdensdatum opgegeven. Ik heb niet tegen de kinderen durven te vertellen, dat hun vader dood was. Op school hoorde ze het van vreemden. Dat was natuurlijk fout van me, maar ik durfde het ze echt niet te zeggen. Ze spaarden al het snoep dat ze van de Canadezen hadden gekregen voor hun vader op. Ik het altijd gezegd, dat degenen, die het snelst gestorven zijn, het gelukkigst zijn geweest. Van de mannen die zijn teruggekomen heb ik eigenlijk nooit veel gehoord over hoe het was in Duitsland. Ik geloof dat ze er eigenlijk helemaal niet meer over willen praten. Het moet te vreselijk geweest zijn om er over te vertellen. Ik ben zelf nooit naar Duitsland geweest, dat kan ik niet aan. Ik heb al zoveel verdriet gehad. Ik wil niet naar dat kamp, dan komen al die vreselijke gedachten weer bij me op, hoe ze daar de marteldood gestorven zijn.

Het geloof is voor de meeste Puttense weduwen heel belangrijk. Ze behoren grotendeels tot de Grote Kerk in Putten (dezelfde van waaruit de mannen zijn weggevoerd). Ze zijn hervormd van een zeer orthodoxe soort, namelijk gereformeerde bond. Het geloof is voor de meeste vrouwen, naar ze zeggen, de grootste steun geweest bij het dragen van het verdriet. Toch vinden de vrouwen dat ze door de plaatselijke kerk niet gesteund zijn in die moeilijke tijd. Dat neemt niet weg dat het geloof gebleven is.

Louise Calame: ‘De vraag van het geloof, liever gezegd wat dat precies voor de vrouwen betekent, daar kom ik niet achter. Een weduwe heeft mij wel eens verteld, dat ze indertijd de dominee had gevraagd ‘waarom dominee, waarom?’ en dat hij toen alleen maar had geantwoord: ‘Uw moet niet vragen waarom, maar waartoe’. Ze zei dat ze de dominee toen had weggestuurd. Als ik met de vrouwen wel eens over het geloof praat, merk ik dat ze het niet (meer) eens zijn met de opvatting dat je deportatie als een straf van God beschouwd moet worden. Ze zijn verder gaan denken. Ik proef nooit meer uit hun woorden dat ze het als een straf voor hun eigen zonden zien. Wel merk ik dat ze geloven, dat het Gods wil was. Het vreemde vind ik, dat ik eigenlijk nooit iets merk van opstandigheid, maar dat hoort ook bij hun geloof, denk ik’.

Mevrouw Torsius: ‘Mijn geloof heeft me door die vreselijke tijd geholpen. Ik zeg altijd: ik heb kracht naar kruis gekregen. God heeft mij bijgestaan, alleen had ik het niet gekund. Het is niet onze taak op de Duitsers te schelden, we hebben een Heer die regeert. Ik ben heus wel eens opstandig geweest dat ik vroeg ‘waarom moest dit gebeuren? ‘ maar dan kreeg ik toch weer de kracht om te denken ‘er gebeurt niets bij geval, dus ook dit vreselijke zal een doel gehad hebben’. Dat wij dat doel nu nog niet kunnen begrijpen, komt ‘omdat zij nog zien als door een beslagen spiegel, maar na dezen zult gij het verstaan’, zo staat het in de Bijbel.
Er is hier een man, teruggekomen uit Duitsland, die helemaal van zijn geloof is gevallen. Hij wil nergens meer van weten. Hij zegt ‘Als God liefde is, waarom kon dit dan gebeuren”? Ik kan dat van die man wel begrijpen, maar ik ben het er niet mee eens. Ik heb gehoord dat mijn man bereid was om heen te gaan en dat heeft mij getroost.”
Mevrouw van de Poll: ‘Ik heb veel steun aan mijn geloof. Ik weet niet of het door het geloof komt, omdat ik niet kan vloeken tegen de Duitsers, maar dat kan ik niet. Ik heb wel vaak met het ‘waarom’ gezeten; dit was niet iets natuurlijks, maar ik kan er niet bij of dit nu Gods wil is geweest.
Acht, daar komt je toch niet uit. Wat ik niet geloof is dat de mannen zijn weggevoerd als straf voor onze zonden, want dan hadden wij allemaal weg moeten zijn. Als ik het geloof niet had gehad, had ik niet verder kunnen leven. Weet u waar ik nog wel eens opstandig over ben? Dat die verzetsmensen zich na de aanslag niet hebben gemeld. Dan hadden al die onschuldige mannen gespaard kunnen blijven. Ze hebben ons onwetend in  iets meegesleurd, waarmee we niets te maken hadden.’.
Hennie Lodeizen: ‘Ik hoor niet meer bij de kerk. Ik heb me officieel uit laten schrijven toen ik trouwde, een paar jaar geleden. Mijn broer en zusters gaan nog wel naar de kerk. Mijn moeder gaat nooit meer naar de kerk, al twintig jaar niet meer. Ze luistert zondags thuis naar een kerkdienst of naar gewijde muziek. Ze kan het niet opbrengen zo lang in de kerk te zitten. Dan krijgt ze erge pijn in haar nek en rug. Allemaal spanningen, denk ik’.

Er zijn relatief maar weinig Puttense weduwen hertrouwd.
Hennie Lodeizen: ‘Moeder is nooit hertrouwd. In de beginjaren na de oorlog heeft ze erg veel steun van haar ouders en een bij ons inwonende jongere zuster gehad. Volgens mij heeft ze nooit open gestaan voor een tweede huwelijk. Ze wilde, denk ik, ook niet dat de kinderen van haar man door een ander gecommandeerd zouden worden.’
Mevrouw Van de Poll: ‘Ik zou niet hebben kunnen hertrouwen. Ik heb wel eens de kans gehad, toen ik al over de zestig was. Maar ik voelde er niets voor. Mijn man en ik hadden een heel goed huwelijk. Toen dat was afgelopen heb ik nooit de behoefte gehad nog eens opnieuw te beginnen’.

Over het leven van de vrouwen-van-nu denken de Puttense weduwen niet zo positief. Vooral niet wanneer die vrouwen aanstalten maken mee te doen in maatschappij en kerk.
Mevrouw Torsius: ‘Ik geloof niet dat het goed is, dat vrouwen meedoen in de kerk en de politiek, dat moeten ze aan de mannen over laten. Ik zou ook zeker tegen de vrouw in het ambt zijn. Ik zou het maar een raar gezicht vinden wanneer er vrouwen bij ons in de ouderlingen- of diakenbanken zouden zitten. nee, daar ben ik sterk  op tegen. Er staat toch in de Bijbel ‘dat de vrouw zwijge in de gemeente’. Ook in de politiek hoort de vrouw niet. Mijn kinderen en kleinkinderen denken daar wel anders over. Weet u, wie ik trouwens wel goed vond? Die Hannie van Leeuwen: ik heb haar vroeger vaak op de televisie gezien. Dat was een goed verstandig mens en met een koppie-koppie.’

Dat de leer en de praktijk wel eens met elkaar in botsing komen, ook in het leven van een Puttense weduwe, verteld Hennie Lodeizen.
‘Mijn moeder houdt nog altijd veel tradities van de Gereformeerde Bond in ere. Zo handwerkt ze zondags nooit. maar weet je wat ze wel doet?
’s Avonds met mij naar de uitslagen van de lotto kijken. Ze heeft samen met mij zo’n formulier en daar heb je zondagavond de trekking van op de televisie. Gek hè, ze handwerkt niet op zondag, maar ze hoopt op zondag nog wel eens de half miljoen te winnen’.



 





Stichting Oktober 44, Midden Engweg 1, 3882 TS Putten