Stichting Oktober 44
  • Oktober 44

    Een aanslag van een verzetgroep bleek voor de bezetter aanleiding tot een vreselijke
    vergeldingsactie...

    Ongeveer 110 huizen werden in brand gestoken...

  • Oktober 44

    Putten was in oktober 1944 het toneel van de ergste wraakactie die Duitsers in de Tweede Wereldoorlog in Nederland hebben begaan.

    Vrouwen gingen de hongerwinter in zonder man.

  • Oktober 44

    Een echte, georganiseerde illegaliteit was er niet in Putten in de eerste jaren van de oorlog.

    Pas in 1944 kwamen enkele groepen tot stand.

Vrouwen van Putten – toen en nu.

Aan het einde van de tweede wereldoorlog in 1945 bestond er in het Veluwse dorpje Putten een groot vrouwenoverschot. Dat kwam omdat een deel van de mannelijke bevolking was weggevoerd naar Duitse concentratiekampen en nooit meer is teruggekomen. Ruim driehonderd weduwen hebben zich in die jaren zonder hulp van mannen of volwassen zoons moeten redden. Vaak dreven zij boerenbedrijfjes, die ze voor de oorlog met hun man hadden opgezet. Ze stonden alleen voor de opvoeding van ruim zeshonderd jonge kinderen. Maar weinig weduwen hertrouwden.
Over Putten en wat daar gebeurd is in het laatste oorlogsjaar, is maar heel weinig geschreven. Over de weduwen helemaal niets. De Puttenaren hebben altijd nog afwijzend gestaan tegenover publicaties: er waren vreselijke dingen gebeurd, die toch niemand kon begrijpen, dus daar kon je maar beter over zwijgen. Zo is ook de enorme opwinding over de Putten-documentaire die de VARA in december 1977 uitzond, te verklaren. Anno 1981 is putten een gemeente, waar voor vrouwen niet veel ruimte is, althans niet voor die vrouwen, die meer willen dan gezin en huishouding. Voor emancipatie wordt door de plaatselijke gemeenteraad geen cent uitgegeven, omdat het tegen de wil van God zou zijn, dat vrouwen een plaats innemen in maatschappij, politiek en kerk.
Vrouwen van Putten, toen en nu. Ze komen, behalve bij Albert Heijn en op de woensdagse markt, niet vaak met elkaar in aanraking. Het zijn en blijven twee verschillende werelden. In gesprekken met ‘vrouwen van toen’ en de  ‘vrouwen van nu’ proberen wij erachter te komen hoe beider leven eruit ziet en wat ze van elkaar denken.

Putten op de Veluwe:

SCHULD EN BOETE

Bevrijdingsdag wordt in het Veluwse dorp Putten niet gevierd.
Putten heeft z’n eigen dag, waarop sober herdacht wordt hoe op
zondag 1 oktober 1944 de inwoners het slachtoffer werden van
de zwaarste represaillemaatregel die de Duitse bezetter in
Nederland tegen een woongemeenschap trof.
Koos Groen


Putten, eeuwenlang een dorp van kleine boeren en boerenknechts. Een gesloten gemeenschap, overwegend orthodox-protestant. (In 1946 ging bij de Tweede Kamerverkiezingen meer dan 70% van de stemmen naar AR, CHU en SGP).
De zeer kerkelijke bevolking is zoals dat heet: zwaar op de hand. Dat geldt vooral voor de hervormde gemeente, die verreweg het grootste aantal lidmaten heeft. ‘Gereformeerde Bond’ is de naam voor deze ‘zware’ richting binnen de hervormde kerk.  In de preken werd tijdens de bezetting een anti-verzetshouding gesuggereerd: God heeft het Duitse regiem over ons toegelaten, dus moeten wij ons maar onderwerpen aan alle maatregelen die het voorschrijft. Lijdelijke onderwerping werd voorgesteld als Gods wil en alle verzet als verzet tegen God. De Duitse bezetting en daarbij behorende ellende waren vanuit dit licht bezien een bestraffing van God, vanwege de ‘verwording van het Nederlande volk’. Putten telt in september 1944 met de buurtschappen mee zo’n 10.000 inwoners. Er zitten aan de rand van de Veluwe nogal wat onderduikers, vooral uit Amsterdam. In de loop van de maand komen er ook evacuées uit de omgeving van Arnhem, de stad die op 16 september het doel is geworden van een massale aanval van de geallieerden.
Het verzet in-en-om Putten is geen zaak van de Puttenaren, maar van ‘import’ en onderduikers. De bevolking heeft tot nu toe betrekkelijk weinig last van de oorlog gehad. Honger werd er niet geleden. Integendeel, er was genoeg om te verkopen aan stedelingen uit het westen, tegen – laten we zeggen – behoorlijke prijzen.
In september ’44 lijkt de oorlog aan z’n einde te komen. De geallieerden rukken snel van Normandië naar het noorden en oosten, staan begin september al in Brussel en een week later aan de Nederlandse grens. Het gewapende verzet – dat overigens gering in omvang was – wordt op last van de regering in Londen gebundeld en door Koningin Wilhelmina onder bevel van prins Bernhard gesteld. Uit angst voor revolutionaire toestanden na de bevrijding moeten de los opererende verzetsgroepen betrouwbare commandanten boven zich krijgen, die orders kunnen en willen uitvoeren. Het gaat met name om drie verzetskernen: de Raad van Verzet, de Knokploegen en de Ordedienst. Tussen de groepen onderling bestaan in sommige streken van het land politieke tegenstellingen. Men wantrouwt in veel gevallen elkaars bedoelingen na de bevrijding. De OD en KP wantrouwen de RVV omdat men de groep politiek te links vindt. RVV en KP kijken met argusogen naar de ordedienst, die uit zou zijn op een ‘koninklijk bewind’. De Binnenlandse Strijdkrachten, zoals het gefuseerde verzet gaat heten, krijgt ‘van hogerhand’ kader uit de Ordedienst aangewezen.
De geallieerde legers kunnen hulp achter het front best gebruiken. Op 12 september krijgt het verzet bevel zich gereed te houden. Zondag 17 september moet het spoorwegpersoneel het werk neerleggen in verband met de luchtlandingen bij Arnhem e Nijmegen. Generaal Eisenhower vraagt het verzet op grote schaal sabotage te plegen achter het front. Dat is dus onder meer op de Veluwe. De sabotage moet zich richten op het transport, op koeriers en op officieren: ‘Vanuit hinderlagen vijandelijke troepen neerschieten, met name koeriers en stafofficieren’.

Fatale aanslag
De in het kader van de Binnenlandse Strijdkrachten vers gevormde verzetsgroep Putten, deel uitmaken van gewest 6 (Veluwe) krijgt net als de andere groepen order om de vijand te hinderen en zijn verbindingen te saboteren. De groep bestaat uit zeven man: een aantal studenten, waaronder de verloofde van de dochter van de (ontslagen) burgemeester van Putten en twee Amsterdamse communisten. Als commandant krijgen ze de in verzetswerk onervaren jonge gereformeerde politieman Witvoet aangewezen. Tussen de groep en de nieuwbakken commandant botert het niet. Men ziet hem als een indringer en voelt zich onder curatele gesteld. Desondanks wordt besloten op zaterdag 30 september een eerste verzetsdaad te plegen. Putten ligt aan de – in die tijd – belangrijke route Zwolle – Amersfoort. De weg werd druk bereden door Duitse koeriers.

Met behulp van een Engelse parachutist, die zich na het debâcle bij Arnhem bij de groep heeft aangesloten en goed met wapens kan omgaan wordt een plan opgemaakt om Duitse ordonnansen neer te schieten. Als er die avond laat een Duitse auto aan komt rijden bij de Oldenaller brug, wordt die tot stoppen gebracht. De bedoeling is, dat de inzittenden onschadelijk gemaakt worden. Dat mislukt, omdat het machinepistool hapert. Er ontstaat een vuurgevecht waarbij één van de leden van de verzetsgroep  dodelijk gewond raakt.
De commandant, Witvoet, raakt in paniek en vlucht het bos langs de weg in om pas na de bevrijding weer op te duiken. Bij de Duitsers vallen twee gewonden: officieren. De ene zwaar, de andere licht gewond. De eerste ontsnapt, de tweede wordt door de resterende leden van de groep gevangen genomen. Twee andere inzittenden – korporaals – weten te ontsnappen. Zij melden de overval aan hun superieuren in Harderwijk.

De reactie van de Wehrmacht laat niet lang op zich wachten. Overste Fullrede, de commandant van de divisie waartoe de officieren behoren, geeft onmiddellijk opdracht de straten rondom Putten af te zetten en naar de vermiste officier te zoeken. Hij waarschuwt de Befehlshaber der Wehrmacht Niederlande General der Flieger Christiansen in Hilversum. Die is des duivels. De Wehrmacht is toch al zenuwachtig gezien het verloop van de oorlog en heeft  uiteraard niet de minste behoefte aan speldenprikken achter het front.  Christiansen schreeuwt: ‘Das ganze Nest muss angesteckt werden und die Ganse Bande an die Wand gestelt’.

 Tussen 7 en 8 uur die zondagmorgen is heel Putten omsingeld.  De soldaten hebben de opdracht op vluchtenden te schieten. Dat zal zeven onschuldige slachtoffers opleveren. Net als andere zondagen begeven de Puttenaren zich op 1 oktober naar de kerk. Langzaam dringt iets door van de razzia’s in de buurtschappen. De bewoners van de boerderijen in de omgeving van de plaats van de overval worden uit hun huizen gehaald en met personen die toevallig passeren naar het centrum van het dorp gebracht. De Duitsers vormen met Nederlandse Politieagenten patrouilles die erop ut trekken om de vermiste officieren te zoeken. De bewoners van de huizen die doorzocht worden, krijgen bevel zich naar de grote kerk te begeven. Kerkgangers die het centrum willen verlaten worden teruggestuurd. De mannen worden verzameld op een terrein tussen een grote schuur en de openbare school . De vrouwen en kinderen moeten naar de kerk. In het begin van de avond mogen ze naar huis. De vrouwen krijgen de order de volgende morgen met eten voor de mannen terug te komen. Zondagavond worden de mannen boven de 60 vrijgelaten. De rest gaat naar de kerk. Maandagmorgen moeten de mannen tussen de 18 en 50 naar het marktplein. De rest is vrij, net als de NSB-ers, zij die voor de Wehrmacht werken en Deutsch-freundlichen. (Ambtenaren en politiefunctionarissen waren al ongemoeid gelaten(.
Zondagavond hadden de Duitsers beslist dat het dorp in brand zou gaan en de mannen tussen de 18 en 50 naar een Lager afgevoerd zouden worden voor dwangarbeid, als de vermiste officieren niet terug zou keren en de daders zich niet zouden melden. De laatsten zouden dan neergeschoten worden.
Hoewel één van de leden van de verzetsgroep bij de mannen op het marktsplein is, meldt hij zich niet. (Hij overleeft het kamp niet.) Ook de resterende leden van de groep besluiten zich niet te melden, ondanks dat één van de studenten er voor pleit om onschuldigen niet het slachtoffer  te laten worden. Wel wordt de gewonde Duitse luitenant ’s maandagsmorgens om tien uur bij een boer afgeleverd, met het verzoek hem naar de dichtstbijzijnde Duitse post te brengen. Dat gebeurt, maar het verandert niets aan de plannen van de Duitsers, misschien ook niet, omdat de bevelvoerende Fullriede het niet te horen krijgt.

Straf van God
Om twaalf uur krijgen de mannen te horen, dat ze naar kamp Amersfoort gebracht zullen worden, dat het dorp platgebrand zal worden en om die reden binnen twee uur ontruimd moet zijn. De dominee vertaalt het oordeel. Zo gebeurt het ook. Op het station staat een trein gereed. Die brengt ruim zeshonderd man naar Amersfoort onder bewaking van Nederlandse SS0ers. In het dorp worden een honderdtal huizen verbrand, vooral in de arbeiderswijk. (Huizen van gemeenteambtenaren, notabelen en politie blijven gespaard).
In totaal zijn 660 mannen weggevoerd. Binnen enkele dagen worden 58 uit Amersfoort naar huis teruggestuurd, vooral vaders van grote gezinnen. De laatste vrijgelatenen arriveren op donderdag 12 oktober. Zij brengen het gerucht mee dat de anderen naar een concentratiekamp in Duitsland worden gebracht.
Dat is juist. Midden oktober gaan 589 Puttenaren met een grote groep politieke gevangenen uit Amersfoort naar het Lager Neuengamme bij Hamburg. Dertien mannen springen tijdens de reis uit de trein, zodat uiteindelijk 576 het concentratiekamp in gaan. In het  kamp worden de Puttenaren tewerkgesteld bij het graven van tankversperringen en krijgen ander lichamelijk zwaar werk.
Na de bevrijding blijkt, dat van de 576 man slechts 49 het regiem overleefd hebben. Vijf van deze overlevenden overlijden trouwens snel na hun terugkeer.
De sterfte onder de groep Puttenaren is relatief erg groot. Als belangrijke oorzaak daarvoor is het feit aangevoerd, dat de Puttenaren zich niet wisten te ‘drukken’, maar werkten tot ze ‘erbij neervielen’. Bij de slechte voeding betekende deze houding een zekere dood. Dit gedrag zou weer voortkomen uit de opvatting die veel Puttenaren hebben over ‘schuld en boete’. Een strenge orthodoxe opvatting, waarin sprake is van een berusting, een fatalisme, de voorbeschikking, uitgedrukt in het Veluwse ‘alles gaat zoals het moet gaan ‘. Niet alleen bij de gedeporteerden, maar ook bij hen die achterbleven. De deportatie en de dood van de Puttense mannen werd toen (en nu) door veel Puttenaren beschouwd als een straf van God. Die straf wordt dan weer opgevat als logisch gevolg van Gods Liefde: God heeft het oog op het gelovige Putten laten vallen en daarom straft hij het. Om die reden heeft men in Putten de tragedie altijd ‘onder ons’ willen houden.

Dit is een reden waarom de gebeurtenissen in Putten zo weinig bekend zijn geworden. De tweede is dat in de jaren direct na de oorlog het klimaat niet aanwezig was om het weinig gelukkige, amateuristische optreden van de verzetsgroep en de desertie van zijn commandant, publiekelijk aan de orde te stellen. Toen eind 1945 de balans kon worden opgemaakt, nadat op 10 mei al bekend geworden was dat zeer veel Puttenaren waren overleden, bleek dat 552 mannen de ramp niet hadden overleeft. Ze lieten 308 weduwen en 667 kinderen achter.

Beneden de maat
De opvang van oorlogsslachtoffers in het bevrijde Nederland is achteraf bezien beneden de maat geweest. Dit geldt met name voor de mensen die terugkeerden uit de concentratiekampen zoals de joden, maar ook voor de politieke gevangenen. De ambtelijke instanties hadden het te druk met hun eigen problemen: de klap die het land na september 1944 had gekregen, gloeide nog jaren na.
De Puttense weduwen zijn te vroeg weduwe geworden om van de zorgen van welke welzijnsinstelling dan ook te kunnen profiteren. Ze hebben zich er zelf door heen moeten slaan.
Geestelijke zorg verleende de kerk. En zelfs die lijkt het in de eerste naoorlogse jaren te hebben laten afweten. De gemeentelijke sociale dienst moest voor de materiële zaken zorgen. Pas in 1952 verklaarde de regering op de Puttense weduwen de wet van toepassing, die de zorg voor de slachtoffers van represailles regelde.
De Stichting ’40-‘45 werd belast met de  uitvoering van deze ‘Wet buitengewoon pensioen oorlogsslachtoffers’. De Puttense weduwen kregen op basis van deze wet een pensioen dat uitging van het inkomen van de man in 1947,

als hij toen in leven zou zijn geweest. In de praktijk betekende dit, dat een weduwe zonder kinderen f 14,00 in de week kreeg, een vrouw met één kind f 19,25, een vrouw met twee kinderen f 23,50. De pensioenen zijn welvaartsvast en tussentijds nog aanmerkelijk verhoogd.
De oud-verzetsstrijder Wim Lodeizen (roepnaam Bob) vertegenwoordigde tot zijn dood in 1978 de Stichting ’40-’45 in Putten. Hij was Amsterdammer van origine, tijdens de oorlog als lid van de groep Gerrit van der Veen gearresteerd en via Vught naar Dachau overgebracht. Na de bevrijding ging Lodeizen in Putten wonen. In 1959 startte hij zijn werk daar, dat voornamelijk uit de zorg voor het materiële welzijn van de weduwen en wezen bestond, zoals de verdeling van de extra Wiedergutmachung, die de Duitse regering beschikbaar stelde. Ook regelde hij het jaarlijkse ‘uitje’.
In november ’45 trok een groepje Amsterdammers zich het lot aan van de wezen van Putten. Zij richtten dat jaar de Stichting Puttens Jeugd op, die tot doel had: ‘Het verlenen van financiële hulp aan de kinderen van hen, die als gevolg van de Duitse terreurdaad op 1 oktober 1944 in Putten, hetzij terstond, hetzij later in gevangenschap, om het leven zijn gekomen’.

Het ging om bijna zevenhonderd kinderen, net geboren of heel jong, van wie de stichting de toekomst min of meer wilde veilig stellen. Het ging voornamelijk om de opleiding van de kinderen. Er kwam geld voor twee kleuterscholen, voor leermiddelen en voor muziek- en handwerklessen, terwijl ook beurzen voor studie aan universiteit en reiskosten voor voortgezet onderwijs buiten Putten beschikbaar kwamen.
De Stichting Puttens jeugd is in november 1964 opgeheven. In die periode van 19 jaar is een half miljoen gulden ingezameld en besteed. Een voor die tijd groot bedrag.
Een van de effecten van het werk van de Stichting was, dat op een zeker moment vrijwel elk Puttens kind muzieklessen wilde. Zo nodig werden zelfs muziekinstrumenten aangeschaft.
De bijna zevenhonderd halfwezen zijn opgegroeid, ‘de talenvollen zijn uitgevlogen en er, ironisch genoeg, beter op geworden dan ze zouden zijn geweest als er geen oorlog was uitgebroken en hun vaders niet waren weggevoerd. Dat is een van de bittere lesjes, die uit de geschiedenis kunnen worden geleerd’, aldus  Willem G. van Maanden in het boekje ‘Putten op de Veluwe, het spoort terug naar de tragedie van 1944, dat ik samen met hem schreef.

 





Stichting Oktober 44, Midden Engweg 1, 3882 TS Putten