Stichting Oktober 44
  • Oktober 44

    Een aanslag van een verzetgroep bleek voor de bezetter aanleiding tot een vreselijke
    vergeldingsactie...

    Ongeveer 110 huizen werden in brand gestoken...

  • Oktober 44

    Putten was in oktober 1944 het toneel van de ergste wraakactie die Duitsers in de Tweede Wereldoorlog in Nederland hebben begaan.

    Vrouwen gingen de hongerwinter in zonder man.

  • Oktober 44

    Een echte, georganiseerde illegaliteit was er niet in Putten in de eerste jaren van de oorlog.

    Pas in 1944 kwamen enkele groepen tot stand.

Op 18 april 2008 was het 63 jaar geleden dat Putten bevrijd was. De heren van Beek, van Twillert en Bennemeer legde om 19.00 uur een bloemstuk bij het monument voor de gevallen Canadese strijders op de Voorthuizerstraat.



Na de kranslegging hield de heer Bennemeer een toespraak:

De avond van 17 april 1945. Het is zo’n typische aprilavond. Het wat gele zonlicht en een merel die op de nok van het huis zit te fluiten. Ieder jaar omstreeks deze tijd herinnert het gefluit van merels mij aan deze voor mij, voor u hier in Putten, zo bijzondere gebeurtenis namelijk onze bevrijding.
Het is verleidelijk om een gedetailleerd verhaal van de hier geleverde veldslag te vertellen, maar we staan hier niet bij een monument dat herinnert aan de gevechten – al hebben ze er natuurlijk wel mee te maken – maar dit monument herinnert aan 4 jonge kerels, die hier in dit gebied hun leven offerden.

Toch wil ik, voordat ik deze jonge mannen centraal stel, wel iets over de gevechten vertellen.

Maar eerst zal ik mijzelf een plaats geven in deze herdenking.
Ons gezin behoorde tot de evacués, die eind september Arnhem moesten verlaten. Wij arriveerden in Putten in de week voordat de razzia hier plaatsvond.
Na op een paarandere adressen ondergebracht geweest te zijn kwamen we in januari of februari hier te wonen, bij de familie Van Beek. En hier maakten we de bevrijding mee.

De merel floot. En het was stil. Aan het eind van de middag van die 17e  april trok een schamele Duitse gevechtsgroep met veel geschreeuw voorbij in de richting van het dorp. Op de vlucht dachten wij.
Weer was het stil. In de verte in de richting van Voorthuizen hoorden we het korte geblaf van het kanonvuur en de donkere geluiden van de inslagen.
Er hing iets in de lucht dat was wel duidelijk. De afgelopen dagen waren Bertus van Beek, zijn zoon Gerrit, mijn vader en ik druk bezig geweest in het bosje achter het huis een schuilkelder in te richten. Daar zouden we inkruipen als er gevechten zouden uitbreken. Water, voedsel alles was er binnen gebracht.
Heintje van Beek had een grote pan eten klaar. Kapucijnenstamppot, en ze nodigde ons allen uit om bij haar te komen eten. Terwijl we daar zaten ging plotseling de deur open en een heel jonge Duitse soldaat – grote ogen, grote helm – vroeg om wat water. Omdat hij zo naar onze borden keek vroeg Heintje, en haar moederhart sprak: ”of wou je ok wat etn mien jong?” Hij zette zijn geweer tegen de deurpost en schrokte, volkomen weerloos een bord eten naar binnen. “Waar zijn de Tommy’s”, vroegen we hem. “Hinter mir”zei hij en weg was hij.
Toen we naar buiten keken zagen we mannetjes uit de bosjes bij de Heihaas komen en op hetzelfde moment zagen we de lichtspoormunitie langs de berken voor het huis vliegen. De hel brak los.
Tijd om in de schuilkelder te komen was er niet meer, dus gingen we de kelder in. Boven ons een houten vloer, die in geval van nood weinig bescherming kon bieden.
De gevechten duurden de hele avond en een groot gedeelte van de nacht.

Bij de gevechten waren betrokken het A eskadron van het 5th Armoured Regiment 8th Princess Louises (New Brunswick) Hussars en een peloton van het Westminster Regiment.
Voor dat tankeskadron was het een zwarte dag. Van de 17 tanks gingen er 12 verloren en wonder boven wonder sneuvelde er slechts een huzaar, John Burpe Wallace. Zijn naamstaat hier op het monument. Hij was de chauffeur van de tank, de Amherst, die hier buiten gevecht werd gesteld en hier geruime tijd langs de weg heeft gestaan. Zijn broer was een van de commandanten van het Eskadron en is hem gaan zoeken toen hij niet terugkeerde die avond. Hij vond dit monument “a great honour.”

Laat in de avond hoorden we in onze schuilplaats in het Engels – we vermoedden een soldaat – om zijn moeder en om water roepen. Zijn stem werd steeds zwakker tot hij tenslotte zweeg.
Bij de onthulling van dit moment ontmoeten we een diep ontroerde oud-strijder Len Welch. Hij vertelde dat hij John Wakula zijn vriend in een greppel naast het huis had gelegd. Hij meende dat hij reeds dood was. Wij vonden hem in de vroege morgen voor de keukendeur. Hij had nog kans gezien uit de greppel te kruipen.
Ik heb een kopie van zijn laatste brief van 13 april 1945. Daarin schrijft hij “we zijn nu in Holland, waar de mensen je behandelen alsof je hun zoon bent”
De naam van uw/onze zoon vind u op het monument. Hij was net 19 jaar..
We hebben in Canada zijn broer en andere familieleden ontmoet. Uncle Johnny in niet vergeten.

Bij mijn zoektocht naar de verwanten van de andere gesneuvelden kregen we contact met een zuster van Frederick Lenart Waters, 30 jaar. In januari 1992 vonden we haar. In maart daarop was zij hier. Eindelijk na zoveel jaren wist zij waar haar broer gesneuveld was. We hebben de laatste reis van die broer – van Arnhem naar Putten – met haar gereden. U moet weten dat het Westminster regiment, waartoe hij behoorde, vertrokken was op een paar honderd meter van ons huis in Arnhem. Als u het Openluchtmuseum in Arnhem bezoekt en u staat voor de ingang dan staat u op de plaats waar de actie voor uw bevrijding begon.
Zijn broer Albert (inmiddels overleden) was hier bij de onthulling van het monument. Lenart wordt nog steeds gemist door zijn nu 95 jaar oude zuster.

Charles Leonard Pewtress, 32 jaar oud. Hij was een van de drie broers die zich vrijwillig meldden om in Europa te gaan vechten. Jeff Pewtress, de eerste broer, was betrokken bij de rampzalige proefinvasie bij Dieppe op 19 augustus 1942. Hij overleefde de slachting en werd gevangen genomen. Hij heeft in krijgsgevangenschap gezeten in Lamsdorf en later in Stalagg 11D bij Stettin. Jeff is overleden en toen hij stond opgebaard stonden de herinneringen, ook die aan dit monument, naast zijn kist.

Frank, de tweede broer en zussen waren hier bij de onthulling van het voorlopig monument. Frank diende in een ander regiment, passeerde de veldgraven die hier een eindje richting Heihaas lagen en ontdekte daar de naam van zijn broer Charles. De contacten met hun kinderen, nichten en neven zijn er nog steeds.

Ik hoef hier in Putten niet uit te leggen wat een open plaats in het gezin, een familie betekent. Ik kan u dan ook verzekeren dat dit monument in de harten van de nabestaande wordt gekoesterd. Zij zijn de Stichting Oktober44 enorm dankbaar dat dit monument hier staat en dat de namen van hun geliefden gebeiteld staan hier op deze staan en in mijn, onze gedachten.

Ik besluit op de traditionele Engelse/Canadese manier:

 

“They shall not grow old as we that are left grow old;
Age shall not weary them nor the years condemm;
At the going down of the sun and in the morning, we will
Remember them”

We will remember them.

Stichting Oktober 44, Midden Engweg 1, 3882 TS Putten