Stichting Oktober 44
  • Oktober 44

    Een aanslag van een verzetgroep bleek voor de bezetter aanleiding tot een vreselijke
    vergeldingsactie...

    Ongeveer 110 huizen werden in brand gestoken...

  • Oktober 44

    Putten was in oktober 1944 het toneel van de ergste wraakactie die Duitsers in de Tweede Wereldoorlog in Nederland hebben begaan.

    Vrouwen gingen de hongerwinter in zonder man.

  • Oktober 44

    Een echte, georganiseerde illegaliteit was er niet in Putten in de eerste jaren van de oorlog.

    Pas in 1944 kwamen enkele groepen tot stand.

Interview met mevrouw Rozendaal-Hogebrug
Door Annemiek Ammerlaan en Jildou Kemper

 

Heeft u de razzia zelf meegemaakt?

Ja, ik was toen 16 jaar.

Zijn er familieleden van u omgekomen?

Gelukkig niet, maar ik ken natuurlijk wel vele mannen die nooit zijn teruggekomen.

Wat bent u later gaan doen?

Onderwijzeres maar nu ben ik gepensioneerd.


Wat was uw situatie tijdens de razzia?

Ik kom uit een groot gezin. Ik woonde aan de oostkant van het dorp, tegen het bos aan. Ons gezin bestond uit acht kinderen, een vader, een moeder en een ongetrouwde oom. Wij hadden thuis ook nog een onderduiker. Op zondag ging mijn vader met een aantal kinderen naar de kerk, met een aantal oudere zussen. En ’s middags ging mijn moeder dan met de jongste kinderen naar de kerk. Op de bewuste zondag, de zondag van de razzia, had de dominee ’s ochtends in de dienst al gezegd dat er wat gebeurd was en dat de mannen in de leeftijd van 17 tot 50 maar beter naar huis konden gaan. Toen zijn dus ook veel van die mannen de kerk uit gegaan. Maar mijn vader en mijn oom waren 52 jaar en zij kwamen dus gewoon na kerktijd thuis. Thuisgekomen vertelde mijn vader dit.

Dat was dus wel schrikken. Putten zou doorzocht worden of zoiets. En ik geloof dat de dominee er ook had bij gezegd dat je maar beter binnen kon blijven. Dus wij zaten allemaal binnen. De onderduiker was naar boven gegaan waar hij een kamertje voor zichzelf had en waar hij tamelijk veilig zat. Je zag hem dus niet meteen beneden zitten. Zo is de zondag dus voorbij gegaan. Die onderduiker was de verloofde van één van mijn oudere zussen en hij was die dag, 1 oktober, toevallig ook jarig. Er gebeurde verder helemaal niets, dus ’s middags met thee drinken is hij maar naar beneden gekomen. Dus toen zaten we gezellig samen thee te drinken met zelfgebakken koekjes van mijn moeder vanwege die verjaardag. Ze had koekjes gebakken van dingen die ze nog bij elkaar kon scharrelen. We zitten daar samen in de voorkamer en we zien zo een Duitse soldaat en een politieagent bij ons de dam op komen lopen. Dat was natuurlijk schrikken. En de onderduiker zat opzij van het raam. Hij kon nog wel weglopen maar dan moest hij langs een ander raam. Dus hij zei ‘nee, nee.’ En we begrepen het ook wel want als je meteen gaat rennen is dat natuurlijk verdacht. Je kunt beter gewoon blijven zitten.

Eén van mijn zussen gaat naar de voordeur en doet open. En de Hollandse politieagent zegt: ‘jullie moeten je allemaal melden bij de kerk. De deuren moeten open blijven. De huizen worden doorzocht en wie in de huizen blijft zitten wordt meegenomen of doodgeschoten.’ Zoiets zei hij. ‘Allemaal nu gaan en de deuren open houden.’ Dat was weer schrikken maar we hebben het gedaan. Vader heeft het waarschijnlijk heel ernstig ingezien want we moesten allemaal onze winterjassen van boven halen. En die hadden we nog niet aangehad. En die dag was het ook prachtig en zonnig weer. Maar wij moesten onze winterjassen aantrekken. En zo zijn we gegaan. We liepen achteruit over ons eigen bouwland. Maar we waren nog niet op ons land, we waren nog maar net bij de schuur toen Adrie zei dat hij niet ging. Hij zei: ‘ik doe het niet, ik ga weer terug. Ik loop die Duitsers regelrecht in de armen.’ Adrie was onze onderduiker. Wij hadden allemaal een persoonsbewijs maar hij niet want hij was ondergedoken. En mijn jongste broer en zus hadden het ook niet want zij waren nog geen vijftien. Mijn zus vond het verschrikkelijk dat Adrie terugging.

Maar hij zei dat hij terugging en zich ging verstoppen. We hadden een erg mooi verstopplekje maar je weet natuurlijk nooit hoe ze zoeken. En zo zijn wij toen doorgelopen over ons land waar een voetpad liep, naar de Harderwijkerstraat. Daar liep het vol met mensen. Allemaal naar de kerk. We komen bij de kerk op de hoek bij de huidige schoenwinkel Van Boeien, die deur gingen we in. En overal Duitse soldaten. Al zou je denken ik ga weer terug, dat lukt je niet meer. En mijn vader en oom werden meteen naar achter de kerk gestuurd waar toen nog een school stond. En wij moesten de kerk in. En mijn broer was veertien maar nogal flink van lengte en hij moest ook achter mijn vader en oom aan. Maar mijn moeder pakte hem zo vast en ze zegt tegen die Duitse soldaat: ‘nee, dit is nog maar een kind.’ Zo op zijn Putters. Maar de Duitse soldaat heeft het goed verstaan want kind is ook het Duitse woord voor kind. Dus Henk, mijn broer, liep met ons mee de kerk in. In de kerk zaten heel veel vrouwen en kinderen. En we bleven er maar zitten. Het was angstig. We mochten niet op de galerij, de kerk heeft overal galerijen. Maar we mochten er niet op want op de galerijen werden mitrailleurs neergezet. Dat was heel angstig en naar. En je moest naar de wc, maar er was er maar één en die kon je ook niet zo gauw vinden. Ik weet niet eens of je er wel heen mocht.

Iedereen ging maar in het portaal zitten plassen. En het werd donker maar er werden geen lampen aangedaan. En de dominee, die oude dominee Holland, die had allang met de Duitsers gesproken. Hij had ’s morgens in de preek de mensen al gewaarschuwd. De dominee kwam nog een keer op de preekstoel en hij zei: ‘wie nou nog iets weet, laat die komen. Want anders is het niet best met ons dorp. Wie weet er wat van, wat er gebeurd is?’ En ondertussen was het 21.00 uur en toen kwam er weer een Duitser op de preekstoel staan en of hij het zei of een Hollander, dat weet ik niet meer. Maar we moesten naar huis gaan en de volgende morgen om negen uur terugkomen bij de kerk, met eten voor de mannen.
Dus wij zijn toen naar huis teruggegaan. We wisten niet waar vader en mijn oom waren. Door dat donkere dorp liepen we naar huis. We waren heel bang en verdrietig. En toen we thuis kwamen hebben we eerst alle luiken dicht gedaan en alle ramen duister gemaakt, want dat moest. En de deuren achter ons op slot. Toen pas riepen we Adrie. Die had ons natuurlijk allang gehoord. We hadden zo’n mooi verstopplekje tussen twee plafonds in. Adrie kon daar niet staan en maar een beetje zitten, dus eigenlijk moest hij liggen. Maar goed, Adrie komt beneden en tot onze grote verbazing komt hij naar beneden met nog een andere man. Die andere man was een inspecteur voor de boeren. Alles werd altijd gecontroleerd. Als je geslacht had, werd er gecontroleerd of je wel goed geslacht had en niet meer dan dat je aangevraagd had.

Je moest altijd alles aanvragen. Ook als je ging dorsten moest je dat van tevoren aanvragen. Dan kwamen er controleurs en die keken hoeveel rogge en tarwe eruit kwam. Een groot deel daarvan moest je leveren aan de Duitsers. Soms werd dat een beetje betaald, soms ook niet. Die controleurs waren vaak vriendjes van de Duitsers maar er zaten ook wel goede bij. Als er dan gedorst werd en de zakken vol met graan liepen dan zei hij bijvoorbeeld: ‘nou moet ik even gaan koffie drinken.’ En als hij dan weg was kon je zo een paar zakken stiekem meenemen. Die man was vaak genoeg bij ons geweest. Die dag was hij ’s ochtends vroeg op de fiets naar Voorthuizen geweest. Toen hij terugkwam waarschuwden ze hem onderweg, voordat hij in Putten was, dat het gevaarlijk was. Dus toen is hij tussen Putten en Voorthuizen het bos ingegaan. En door het bos heeft hij weggetjes gezocht en uiteindelijk zijn fiets verstopt en het laatste eind lopend naar ons huis gekomen. Wij woonden dicht bij het Putterbosch met voor ons huis allemaal houtwallen, nu staan er huizen. Het huis stond open want dat moest. De man heeft geroepen en gezegd wie hij was. Adrie heeft toen het luik voor hem opengemaakt zodat hij er ook bij kon.

’s Middags toen wij allemaal weg waren en hij daar tussen die plafonds in lag, zijn de Duitsers wel in huis geweest. Maar ze waren wel fatsoenlijk, ze klopten op de deuren voordat ze een kamer ingingen. Ze zijn onder hem doorgelopen, hij is dus niet gevonden. Ik denk ook niet dat ze heel erg goed gezocht hebben. Ik denk niet dat ze in de kelders geweest waren. Ze hebben gewoon het huis gecontroleerd en dat was leeg. De koekjes stonden nog op tafel, die hebben ze niet opgegeten. In sommige huizen hebben de Duitsers gegapt en gegeten wat ze wilden. Bij ons zijn nette mensen geweest.
’s Avonds hebben we nog gegeten maar het was allemaal heel verdrietig, vooral omdat we niet wisten waar vader was. Moeder kon helemaal niet eten. Wij aten gewoon brood, zoals altijd. En ook zoals altijd heeft één van ons nog uit de bijbel gelezen. Ik vergeet dat ook nooit meer, het was Romeinen 8. Toen zijn we maar naar bed gegaan.

De volgende ochtend hebben we eten gemaakt voor de mannen. We wisten ook niet wat er zou gebeuren. We hadden nog eten van de vorige dag, of dat moeder dat ’s morgens heeft klaargemaakt, dat weet ik niet meer precies. We hebben bonen, aardappels en vlees in één grote pan door elkaar gedaan. Handdoeken eromheen zodat het warm bleef. Ook hebben we een heleboel boterhammen gesmeerd. En met al dat brood en die hele grote pan gingen wij toen weer naar de kerk. Maar we mochten niet in de kerk. Naar het marktplein werden we gedreven. Allemaal vrouwen en meisjes met eten. De Papiermakersstraat in, steeds verder, voorbij de school en zo weer terug. En dan weer heen. We werden gewoon een beetje heen en weer geduwd door de massa. Het was natuurlijk afgezet door de Duitsers maar dat konden wij niet zien.
In die tijd zijn de mannen uitgezocht op leeftijd. Mannen tussen de 17 en 50 jaar zijn toen op het marktplein opgesteld. De anderen werden weer terug de school in gestuurd. ’s Nachts hebben ze trouwens in de kerk gezeten. Ze hebben niet de hele nacht in de school gezeten, dat kon ook niet, dat had ook nooit gekund want ze stonden gewoon tegen elkaar aan. Het was maar een kleine school. En er waren zoveel mannen.

En toen de mannen uitgezocht waren mochten wij weer terug. Al die vrouwen. En aan de andere kant van de school, waar nu het VVV-kantoor is, langs die kant moesten wij de kerk in. En daar kwamen we in de grote lege kerk, we moesten maar weer gaan zitten. Ondertussen was het zeker al wel twaalf uur. En toen we daar zaten, met al ons eten, kwamen stukje bij beetje de oudere of jongere mannen weer terug in de kerk. Sommige mannen hadden geen familie om ze op te vangen. Die wisten ook nog nergens van. Eén was erbij uit Ermelo, die gaven wij wat te eten, want ze hadden ook zo’n vreselijke honger. En uiteindelijk kwam vader met mijn oom. Ze waren allebei 53. We hebben hen toen ook eten gegeven. En om twee of drie uur, zijn de mannen weggevoerd van het marktplein. Maar dat konden wij niet zien want je mocht niet op de galerijen en de kerk heeft van die hoge ramen. Maar we hebben ze wel gehoord.

Wij zijn toen teruggegaan naar huis. We kregen de boodschap mee dat voor vier uur het dorp leeg moest zijn. ‘Maak de huizen leeg, alles wordt afgebrand.’ Zo zijn we bij ons huis teruggekomen. Het is natuurlijk afschuwelijk als je denkt dat je huis afgebrand zal worden. Maar mijn vader en mijn oom waren er weer, dus we waren heel blij dat we weer bij elkaar waren. En de onderduiker had zich gewoon weer verstopt. Maar we hadden hem wel een bijl meegegeven toen hij maandagmorgen vroeg, 2 oktober, weer op zijn verstopplekje ging zitten. Want het zat helemaal tussen de plafonds. En stel je voor dat wij niet terugkwamen en het huis zou afgebrand worden. Wij hadden namelijk al wat gehoord van afbranden maar je wist het niet. Maar hij zou er niets van kunnen zien, hij zat helemaal ingesloten. Zo kon hij zich eruit slaan met een bijl. Toen wij weer thuiskwamen is hij weer tevoorschijn gekomen. Er was ook geen strenge controle meer. Ze hadden alle aandacht voor de mannen die weggevoerd werden, die naar het station gebracht werden.

We hebben toen de meubels in de groentetuin neergezet. En het orgel werd zomaar in de groentetuin neergezet. De piano, die veel duurder was, werd bij de buren gebracht. Want de buurman was ziek, dus hij mocht in het huis blijven. Ze moesten een wit laken uit het raam hangen, dat kwamen ze ook wel controleren, maar ze hoefden er niet uit. De piano werd daar gebracht en misschien nog wel meer, ik weet het niet. Mijn oudste zus had al lang verkering, ze had al een hele uitzet bijeen gespaard. En die kist werd naar beneden gehaald. Zo van de trap af, bonk, bonk, bonk. We zeiden nog ‘doe voorzichtig’ maar ze zeiden ‘ach, de boel wordt toch verbrand. Het hindert niet al beschadigt de trap een beetje.’ We hadden een boerderij en de koeien liepen een eind van huis in de polder maar daar konden we niet naar toen. De varkens hebben we op een hoge wagen met luiken geladen en weggebracht naar een boer. Daar was het veilig. Er werd aangegeven waar je heen mocht. De Stenekamerseweg moet het geweest zijn en de Rijksweg. Naar die hoek mocht je heen en daar was je veilig. De kippen hebben we losgelaten in de kippenloop. Een grote zak voer erbij want we wisten niet hoelang we weg zouden blijven. De katten redden zich altijd wel. De hond aan de riem aan de wagen. Het paard voor de wagen gespannen. En andere wagen er nog achter, de hooiwagen. Die werd volgeladen met beddengoed. En op de voorste wagen allemaal kussens waar Adrie tussen is gaan liggen met een opening tussen de kussens zodat hij niet zou stikken. En verder hebben we van alles en nog wat op de wagen geladen. Het paard moest hard trekken, twee wagens volgeladen en de hond eraan vast. Over de Harderwijkerstraat. Toen zijn we de Telgterweg opgegaan, waar nu het kerkhof is, de Beekweg op en dan is daar rechts een grote boerderij. Die boer kenden we wel goed. Daar kon het paard op stal. En toen zijn we uit gaan spannen en op de koestal hebben we onze matrassen en bedden neergelegd. Daar hebben we toen geslapen. Daar waren we veilig, er kwam geen controle meer. ’s Avonds toen het donker was zagen we allemaal huizen gaan branden. Heel akelig. Je kan dan niet precies zien hoe en wat.

Het eerste huis wat toen is gaan branden was een soort vakantiehuisje tegenover wat nu de ‘Chinese Muur’ is. Wat nu de ‘Chinese Muur’ is, was toen een restaurant, De Spreng. Is ook verbrand. Natuurlijk van dittem (drinkbeweging), die Duitse soldaten. Enorm zuipen. Alle cafés zijn verbrand. Maar ook gewone huizen. ’s Avonds kwam er een politieagent en die wist natuurlijk dat heel veel mensen bij de boeren terecht waren gekomen. Hij kwam toen ook bij ons en hij had ons huis nog niet zien branden. We hebben toen geslapen en de volgende morgen zijn we naar huis gegaan en ons huis stond er nog.
Ik zal dit ook nog vertellen want ondanks alle verdriet, en wij hebben wat dat betreft weinig verdriet gehad want wij waren bij elkaar, gebeurde er iets vermakelijks. Maar op die boerderij was ook een gezin die op de Poststraat woonde. Die man had nog één of twee paarden waarmee hij altijd vracht mee ging rijden. Hij had geen boerderij meer maar met zijn paarden werkte hij altijd voor anderen. Hij heette Gerrit van Dompseler. Hij was ook naar de kerk gegaan met vrouw en kinderen, maar hij was in de leeftijd dat hij opgepakt zou worden. En hij stond daar in de rij met mannen die uitgezocht waren. En mensen die heel erg gehandicapt waren werden eruit gehaald. Ik meen dat er een verpleegkundige, een zuster, langs de rijen liep die sommige mensen er nog uithaalde. Maar die Gerrit had dat wel gezien. En hij heeft toen gedaan alsof hij helemaal spastisch was. Hij liep met al zijn benen raar te wiebelen en te zwaaien. En met zijn schouders helemaal krom. Zo heeft hij daar gelopen, hij heeft het ons voorgedaan daarom weet ik het, en toen hadden ze hem niet nodig. Hij is er toen uitgehaald. Thuis heeft hij ook het paard voor de wagen gespannen en hij is ook bij die boer terechtgekomen. Hij had een stuk of vier kinderen en zijn oudste dochter zei toen ‘och papa, als ons huis nou ook eens verbrand? !’ ‘Ach kind,’ zei hij: ‘wat brandt, verrot niet!’    
Zo hebben wij de razzia meegemaakt.

De razzia heeft grote gevolgen gehad voor Putten en waarschijnlijk ook voor u zelf…

Ja, ik was toen zestien. Jullie zijn nu..?

Zeventien…

Met de bevrijding was ik zeventien. Natuurlijk heeft dat invloed op je gehad als je zo jong bent. Trouwens de hele oorlog hoor. D-Day daar hebben jullie wel van gehoord, de grote invasie in Frankrijk. Dat was natuurlijk schrikken voor de Duitsers en voor de Duitsvriendelijke mensen zoals NSB’ers. En toen stonden er mooie villa’s van rijke mensen uit de stad bij het bos in Putten. We zeiden altijd maar dat alles wat rijk was, uit de stad kwam. Die kwamen daar in de winter ook. En als ze daar niet waren werden de huizen gevorderd voor belangrijke Duitsvriendelijke mensen. Want de plaatsen in het Westen aan de kust zijn ook nog een tijdje ontruimd geweest. Zo was er ook een man met kinderen. Aardige kinderen, zo om te zien, ongeveer van mijn leeftijd. En op D-Day, toen die man daarvan hoorde hebben hij en zijn vrouw zelfmoord gepleegd. En zijn kinderen ook. Ik geloof met gas. Dat hoorden we toen en ik vond dat zo verschrikkelijk, dat die man dat deed maar ook die kinderen… dat heeft zeker invloed op mij gehad. Dat ik denk hoe kunnen ze dat doen. Ik zat natuurlijk in de puberteit. Maar die puberteit was toch anders want je hoorde zoveel vreselijke en ook zeker gevaarlijke dingen. Dat ging wel even over iets anders dan of je leuke kleren had of dat je mocht dansen. Je kon ’s avonds ook niet lang wegblijven want je moest om acht uur binnen zijn. We hadden hele andere problemen. Maar daarom heeft het natuurlijk wel heel veel invloed op je leven gehad, als jong meisje.

Wat voor gevolgen heeft de razzia volgens u gehad op de Puttense samenleving? Vlak na de oorlog, maar ook nu nog?

Vlak na de oorlog is er een hele band gekomen tussen de mensen in Putten. Ik weet niet goed of dat voor die tijd minder was. Maar ik weet zeker dat we een hele goede band hadden en dat er ook op kerkelijk gebied een goede band was. Ik ben hervormd en dat is nu nog de grootste kerk in Putten maar dat was toen helemaal de grootste kerk. Want toen, voor en in de oorlog, waren er maar drie kerken in Putten. Dat waren de rooms katholieke kerk, de hervormde  kerk en de gereformeerde kerk. We hadden rooms katholieke buren, dus ik weet er wel iets van. Als ze bij ons over het erf kwamen lopen en de hond blafte, in de winter, dan zei moeder: ‘de buurvrouw gaat naar de vroegmis.’ Dus ik wist van kinds af aan wat de vroegmis was, ook al was ik hervormd. Maar goed, die drie kerken waren er. En je had allemaal je kerk. Na de razzia was die scheiding niet opgeheven maar ik weet dat met de herdenking van de razzia op 2 oktober in de oude kerk plaatsvond. En de kerk zat dan mud en mud vol. Van alle soorten en rassen. Iedereen kwam naar die kerk. Dat gaf een saamhorigheidsgevoel. Dat we samen dat verschrikkelijke gebeuren gingen herdenken.

Wat ook belangrijk is geweest voor de samenleving, maar zo’n plattelandssamenleving heeft dat toch wel in zich, dat de vrouwen dan gezinshoofd waren. Er waren zoveel weduwen in Putten. De vrouwen moesten het heft in handen nemen. Als je een boerderij had en de man was weg, moest het werk wel gewoon doorgaan. Maar een boerenvrouw heeft ook verstand van boerenwerk. En als je een bakkersvrouw was of een slagersvrouw of noem maar op, van de middenstand, die hadden toen ook verstand van hoe een zaak te runnen. Dus de vrouwen pakten toch wel meteen aan. Soms lukte het niet hoor, dat kun je ook niemand kwalijk nemen. Sommigen hebben het niet in zich om dat te kunnen. En sommigen zijn door de klappen van de razzia zo kapot geslagen, dat ze nooit die moed meer hebben kunnen opbrengen. Maar veel vrouwen konden dat wel. En daardoor zijn de vrouwen ook heel zelfstandig geworden. Maar de categorieën van middenstanders en boeren hebben dat ook een beetje in zich. Toen bestond het woord nog niet eens, tenminste dat was bij ons nog niet bekend, maar dat kan je emancipatie noemen. Emancipatie betekent uiteindelijk alleen maar bevrijding van slaafse banden. Banden die de één de ander onterecht oplegt. Die de ander onterecht binden. Het komt van uit het Latijn van ‘emancipare’, bevrijding van slavernij. Eigenlijk is het ook ontwikkeling. Dat proces is voor de Puttense vrouwen in een versnelling gekomen.

Putten is nog een heel traditioneel dorp en in veel dingen ook ouderwets. Ook als het op principes aankomt. Ik ben al heel lang lid van de schoolvereniging, al wel 50 jaar, misschien wel 53 jaar. Ik werd als jonge onderwijzeres lid. Mijn vader zat in het schoolbestuur, hij was secretaris. Ze vonden allemaal wel goed dat ik lid werd maar ik kreeg geen stemrecht. Dus ik was lid maar ik mocht niet stemmen. Eén keer in het jaar wordt er een ledenvergadering gehouden. En ik weet nog dat ik een keer naar zo’n ledenvergadering ging en dat mijn vader zei: ‘och kind, zou je dat wel doen. Je mag toch niet stemmen.’ Ik zei: ‘natuurlijk ga ik er heen, ik ben toch lid? !’ Toen de stembriefjes rondgingen omdat er gestemd moest worden, sloegen ze mij over want ik mocht toch niet stemmen. Ik weet niet eens of ik dat toen zo erg vond. Maar naderhand is dat veranderd. Want dat bestuur, natuurlijk allemaal mannen, zag ook in dat de ouders niet allemaal gelijke invloed meer hadden. Want vele gezinnen waren hun vader kwijt. Dus toen is het veranderd en mochten de vrouwen ook gaan stemmen. Zo kan je zien dat zo’n gebeurtenis het emancipatieproces kan beïnvloeden en versnellen.

Terwijl dat niet voor de hand ligt in een dorp als Putten.

Niet zo, dat zou wel zijn gekomen maar had dat veel meer tijd gekost. Dit is dus ook wel een apart, noemenswaardig, neveneffect van de toestand na de razzia hier in ons dorp. Maar er zijn ook vrouwen geweest waarmee het anders ging. Kijk ik kende veel mensen want wij hadden een boerderij maar ook en melkzaak. En ik hielp ook mee melkventen. Er waren ook melkklanten die weggevoerd waren bij de razzia. Bijvoorbeeld een onderwijzer. Hij was getrouwd, geen kinderen. Een jong stel nog. De man was weggevoerd en zij zat daar maar alleen. Zij had niets omhanden. Kijk een boerenvrouw of een middenstandsvrouw hadden van alles omhanden. Maar deze vrouwen hadden niets. En als ze dan ook nog eens oorspronkelijk niet uit Putten kwamen, dan was het echt heel moeilijk. Maar zijn er ook vrouwen weer terug gegaan. Zo waren er bij ons op de hoek twee kleine bakkers. Beide mannen waren weggevoerd. De vrouwen waren geen Putters. Na verloop van tijd hebben ze hun zaken verkocht en zijn ze naar hun eigen omgeving teruggegaan.

U bent onderwijzeres geweest. Lange tijd neem ik aan…

Ja hoor, voordat ik trouwde en toen ik getrouwd was, ging ik overal invallen. Daardoor ken ik de hele gemeente Putten zo goed.

Elk jaar kwamen de dagen in oktober terug. Op een gegeven moment had de jeugd het niet meer zelf meegemaakt. Moest u de jeugd daarover ook gaan informeren of hoe ging dat?

Ja, toen ik nog niet getrouwd was geloof ik nog niet. Maar toen ik na mijn trouwen inviel, ik had toen ook de hogere klassen, wat nu groep 7 en 8 is, dan vroeg het hoofd altijd of ik de geschiedenis les wilde gaan geven. Normaal gaf ik geen geschiedenis, helaas, want dat wilde hij altijd zelf doen. Hij zei dan: ‘ik geef niet alle leuke vakken weg!’ Maar dan vertelde ik altijd over de razzia. En toen ben ik ook wel op andere scholen geweest. Waar ik niet inviel maar waar ik alleen in de tijd van de razzia gevraagd om daar dit verhaal te vertellen. Dus op diverse scholen van Putten heb ik dit verhaal verteld. Dan vroeg het personeel van de scholen mij omdat zij het niet meegemaakt hadden. Zij woonden toen niet in Putten. Maar ieder heeft zijn eigen verhaal. Want als je nu bij iemand komt die daar in Hoef woonde heb je weer een heel ander verhaal. Hoef was één van de zwaarst getroffen gebieden, want Hoef ligt vlakbij de plek van de aanslag. Daar begonnen de Duitsers ’s morgens vroeg al met de razzia. De boeren werden daar ’s ochtends vroeg bij de koeien weggehaald. Op de klompen en in de kiel en nooit meer thuisgekomen. Ze waren de koeien aan het melken en ineens, lopen maar jongens. Daar is het zo erg geweest. Hun verhaal komt wel op hetzelfde neer van het wegvoeren van de mannen. Maar ik ben begonnen om ’s middags drie uur. Heel veel mensen bij ons uit de buurt zijn het bos ingevlucht. Ze hadden zich verstopt in het bos. Ja, waar mensen zich allemaal verstopt hebben… Heb je het gehoord van de gewelven van de kerk. Klaas Friso had zich verstopt in de Roomse kerk. Hij kende de pastoor goed en hij woonde er een beetje in de buurt. Hij heeft zich daar verstopt. Hij was trouwens te jong om weggevoerd te worden maar dat wist je niet precies.

Door wie werd u gevraagd om te komen vertellen over de razzia? Door het bestuur of zo?

Nee, voor zover ik weet werd het niet gestimuleerd door een commissie of het schoolbestuur. Maar de school waar ik was, daar deed ik het. En dat hoorden ze, het ene hoofd vertelde het aan de andere of zoiets. En zo ben ik ook op andere scholen geweest.

Heeft u daar later nog iets meegedaan? Stichting Oktober ’44 heeft eigenlijk uw werk overgenomen…

Ja… nee ik heb er nooit meer iets mee gedaan. Ik ben vanaf het begin donateur van de stichting geworden en ik leef ook mee. Maar verder doe ik er niets mee. Ik heb wel eens gedacht dat de verhalen eens gebundeld zouden moeten worden. Niet dat mijn verhaal zo bijzonder is en er zijn ook veel aangrijpender verhalen. Een paar weken geleden heeft in een blad, dat in Putten vier keer in het jaar komt, zo’n verhaal gestaan. Het was het blad ‘Natuurlijk Putten’ van de Stichting voor Natuur- en Milieubescherming. Daar schrijft Klaas Friso ook in. Hij schreef een verhaal van een oude man die door zijn voet was geschoten. Want hij was doof en begreep dus niet wat de Duitsers zeiden. Dat is ook een aangrijpend verhaal. Ik kende dat verhaal al en dan denk ik, dat verhaal was nog wat uitgebreider dan dat het in dat blad stond. En dat zou er eigenlijk ook bij verteld moeten worden. Hiermee wil ik aangeven dat er zoveel verhalen zijn. Maar ik weet niet of het te doen is om alles te gaan bundelen. Er zijn zoveel mensen.

Nog zo’n verhaal. Op de hoek van de Bakkerstraat. Daar woonde toen ook een bakker. Dirk Schuitemaker. Hij had een stel dochters en twee zonen. Eén van de zonen, de jongste, die was ook al 20, die was bevriend met onze onderduiker Adrie. Die twee jongens van de bakker hadden zich verstopt. Daarachter was een kolenboer met een kolenschuur. Hij had al, zoals wel meer mensen, een verstopplek gemaakt. Om eventueel spullen of mensen te kunnen verstoppen. Een noodkelder. Die jongens zaten daarin. En de bakker zou naar de kerk gaan maar op straat hoorde hij dat de jongens zich alleen maar hoefden te melden. Dat er verder niets was. Daarop is hij teruggegaan, naar zijn zonen met de mededeling dat het verstandiger zou zijn zich te gaan melden. Die jongens hebben dat gedaan en zijn nooit meer teruggekomen.

Zo was er ook een weduwe met één zoon. Zij woonde in een straatje tegenover bakker Schuitemaker. Ook zij hoorde op straat dat het alleen maar om het melden. Zij heeft daarop haar zoon geadviseerd zich te gaan melden. Ook hij is nooit meer teruggekomen. Deze vrouw is haar verdere leven altijd heel verbitterd geweest. En ze heeft het zichzelf nooit vergeven dat ze haar zoon het, naar achteraf bleek, volstrekt verkeerde advies gaf. Andere mensen zoals bakker Schuitemaker probeerde haar te troosten. Dat het haar schuld niet was omdat zij het ook niet kon weten. Maar zij is altijd heel verbitterd gebleven. Ik vind het belangrijk dat alle verhalen doorverteld worden. Maar er zijn er zo veel. Iedereen heeft weer een ander verhaal. We mogen niet vergeten wat er toen gebeurd is…..

Hoe hoorde men dat zijn of haar familielid overleden was?

Van de mannen die waren weggevoerd, kwamen er een aantal vrij in kamp Amersfoort. Deze mannen waren mannen met grote gezinnen. Zij hadden kamp Amersfoort meegemaakt en hadden dus enig idee wat een concentratiekamp was. Ook kwam er informatie van de enkele mannen die uit de trein waren gesprongen. Putten werd in april bevrijd. In mei, het was hemelvaartsdag, kwam de eerste lijst met namen van overledenen. Ik weet het nog goed. Het was die dag stralend mooi weer. ’s Avonds toen wij in bed lagen hadden wij het raam open en door dat raam hoorden wij allemaal mensen huilen. Vrouwen die net hadden gehoord dat hun man of zoon of broer niet terug zou komen.

Elke zondag werd er een lijst met namen voorgelezen in de kerk. Die lijsten hingen ook bij het toenmalige gemeentehuis. Maar die lijsten klopten lang niet altijd. Daardoor werd de onzekerheid dus niet weggenomen. Want ook al was je zoon of broer genoemd, het kwam voor dat later bleek dat hij wel leefde. Maar ook andersom. Tot in augustus kwamen er nog mannen terug die op de lijst stonden. Dit zorgde natuurlijk ook voor grote verwarring. Het is daarom heel goed dat de dominee van Ladelund kwam met de gegevens die hij had verzameld.

Pastor Meyer was een hele dappere man. Tijdens het bestaan van kamp Ladelund kreeg hij de taak om mensen te gaan begraven. Meyer heeft toen het lef gehad om alle belangrijke gegevens van de overledenen op te eisen. Hij heeft alles keurig bijgehouden. Hij zag toen dat er opvallend veel Puttenaren bij waren. Na de oorlog heeft hij contact gezocht. Dat deed hij heel voorzichtig want hij was zich goed bewust van zijn kwetsbare positie als Duitser.
Maar via zijn gegevens heeft hij wat zekerheid kunnen scheppen in de verwarring die er in Putten heerste. Daar zijn de Puttenaren hem altijd heel dankbaar voor geweest. Ik weet nog goed dat toen het bericht kwam dat hij overleden was, er een golf van ontroering door de kerk ging.  

Wat vindt u van de manier van herdenken?

De huidige manier is wel heel anders dan 50 jaar geleden. Maar ik vind het heel erg goed. Het wordt sober gehouden, wat ik een groot pluspunt vind. Dat is juist het krachtige eraan.  

Onze laatste vraag is of u nog naar uw idee onjuiste dingen bent tegengekomen in bijvoorbeeld boeken of de media met betrekking tot de razzia of de nasleep daarvan?

Er zijn in Nederland veel lelijke dingen gezegd over Putten. Maar wat mij verreweg het meest steekt is wat die man, van Danzig, heeft beweerd. Dat was, geloof ik, 25 jaar na de razzia. Hij beweerde dat er zoveel Puttenaren zijn omgekomen doordat zij heel erg het gezag zouden volgen. Ze waren te volgzaam en dat zou worden veroorzaakt door hun godsdienst. Lijdelijkheid door hun godsdienst. Dit is zeer onterecht. Ik kan hier, net als vele andere Puttenaren zo ontzettend kwaad om worden. Het is gewoon een grove leugen.
Het bewijs is dat lang niet alle Puttenaren zo streng gelovig waren. Er zaten ook communisten en atheïsten bij. Bijvoorbeeld de communist Bezaan. Zijn enige zoon, Jaap Bezaan, is ook weggevoerd en nooit meer teruggekeerd. Wat van Danzig beweerde is echt een leugen!!!

Wij willen u hartelijk bedanken voor dit interview.

Stichting Oktober 44, Midden Engweg 1, 3882 TS Putten